Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Attendite ad me popule meus, et tribus mea me audite: quia lex a me exiet, et judicium meum in lucem populorum requiescet.

5. Prope est justus meus, egressus est salvator meus, et brachia mea populos judicabunt: me insulae exspectabunt, et brachium meum sustinebunt.

6. Levate in coelum oculos vestros, et videte sub terra deorsum: quia cceli sicut fumus liquescent, et terra sicut vestimentum atteretur, et habitatores ejus sicut haec interibunt: Salus autem mea in sempiternum erit, et justitia mea non deficiet. Ps. XXXVI 89.

7. Audite me qui scitis justum, populus meus lex mea in corde eorum: nolite timere opprobrium hominum, et blasphemias eorum ne metuatis. Ps. XXXVI31.

8. Sicut enim vestimentum, sic comedet eos vermis: et sicut lanam, sic devorabit eos tinea: Salus autem mea in sempiternum erit, et justitia mea in generationes generationum.

9. Consurge, consurge, induere fortitudinem brachium Domini: consurge sicut in diebus antiquis, in generationibus saeculorum. Numquid non tu percussisti superbum, vulnerasti draconem?

de door Adam's schuld verloren paradijszegen ruimschoots hersteld.

«) Vgl. XLII 1, 3,- 4. De heilaanbrengende wet, welke het recht Gods bevat en van God zal uitgaan, is het voor allen bestemde Evangelie.

fr) Hebr.: «mijne gerechtigheid.... mijn heil». Bedoeld is (zie XLI noot 2) de genadige openbaring van God döor den gereMe, den Messias; zie XLII 3, 4; XLV 24, volg. Nabij, zie XLVI 13. In en door Christus zullen Gods armen, het zinnebeeld zijner macht, tot heil der wereld alle volken richten of besturen. Mij zullen de eilanden enz., zie XLII 4.

4. Luistert naar Mij, mijn volk; en gij, mijn volksstam, hoort naar Mij! Want de wet zal van Mij uitgaan, en mijn recht zal zich nederlaten'tot licht der volken4).

5. Nabij is mijn gerechte, uitgetogen is mijn Heiland, en mijne armen zullen de volkeren richten; Mij zullen de eilanden verwachten, en mijnen arm zullen zij verbeiden5).

6. Slaat uwe oogen ten hemel en ziet nederwaarts ter aarde; voorwaar, de hemelen zullen als rook vervliegen, en de aarde zal als een kleed verslijten, en hare bewoners zullen gelijk zij vergaan; maar mijn heil zal tot in eeuwigheid duren, en mijne gerechtigheid zal onvergankelijk zijn6).

7. Hoort naar Mij, gij, die weet wat gerechtig is, mijn volk, in welks hart mijne wet is: Vreest den smaad der menschen niet, en weest voor hunne lastertaal niet beducht.

8. Want als een kleed, zoo zal hen de worm verteren; en als wol, zoo zal hen de mot verslinden; maar mijn heil zal duren in eeuwigheid, en mijne gerechtigheid van geslacht tot geslacht.

9. Rijs op, rijs op, bekleed u met kracht, arm des Heeren! Rijs op als in de aloude dagen onder de voormalige geslachten! Zijt Gij het niet, die den trotschaard verslagen, den draak verwond hebt7)?

6) Hemel en aarde zullen naar hunnen tegenwoordigen toestand vergaan, maar het Rijk van genade zal eeuwig duren. Vgl. Matth. XXIV 35; Hebr. I 11, 12. Gelijk zij; de genoemde hemel en aarde.

') Jubelend in het heil van den Messias (v. 4—8), smeekt de profeet, dat Gods arm uit zijne rust oprij ie, m. a. w. dat God zijne macht toone in het verlossen van zijn volk. Hij herinnert aan de verlossing uit Egypte, de voorafbeelding der geestelijke verlossing. De trotschaard en de draak zijn benamingen waarmede reeds vroeger (zie XXX 7; XXyil 1) Egypte werd aangeduid.

Sluiten