Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

suo: et non dicat eunuchus: Ecce ego lignum aridum.

4. Quia haec dicit Dominus eunuchis: Qui custodierint sabbata mea, et elegerint quas ego volui, et tenuerint foedus meum:

5. Dabo eis in domo mea, et in muris meis locum, et nomen melius a filiis et filiabus: nomen sempiternum dabo eis, quod non peribit.

6. Et filios advense, qui adhaerent Domino, ut colant eum, et diligant nomen ejus, ut sint ei in servos: omnem custodientem sabbatum ne polluat illud, et tenentem foedus meum:

7. Adducam eos in montem sanctum meum, et laetificabo eos in domo orationis meae: holocausta

eorum, et victimae eorum-placebunt mihi super, altari meo: quia domus mea domus orationis vocabitur cunctis populis. Jer. VII11; Matth. XXI13; Mare. XI17; Luc. XIX 46.

Heer scheiding maken tusschen mij en zijn volk. En de ontmande zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom-)!

4. Want dit zegt de Heer tot de ontmanden: Wie mijne sabbatten onderhouden en verkiezen wat Mij welgevallig is en vasthouden aan mijn verbond,

5. aan hen zal Ik in mijn huis en binnen mijne muren eene plaats geven en eenen naam beter dan die van zonen en dochters; een eeuwigen naam zal Ik hun geven, die niet vergaan zal8).

6. En de zonen des aankomelings, die den Heer aanhangen om Hem te dienen en zijnen naam lief te hebben, om Hem tot dienstknechten te zijn — al wie den sabbat onderhoudt om dien niet te ontheiligen en vasthoudt aan mijn verbond —

7. hen zal De geleiden op mijn heiligen berg en hen blijdschap doen smaken in het huis mijns gebeds; hunne brandoffers en hunne slachtoffers zullen Mij welgevallig zijn op mijn altaar; want mijn huis

I zal een huis des gebeds genoemd ! worden voor alle volkeren4).

*) Niemand zal van dat heil v. 1 worden uitgesloten, ook niet degenen, die onder de Oude Wet (Deut. XXIII 1—3) buiten Israël's gemeente waren gebannen: de zoon des aankomelings, o. a. de Ammonieten en de Moabieten, en de ontmande, hoedanigen er destijds velen onder de heidenen waren. Op de klacht der eersten antwoordt de profeet in v. 6, 7; op de klacht der ontmanden, dat zij, als een dorre boom onvruchtbaar, geen nakroost onder Gods volk konden bezitten, antwoordt hij vooraf in v. 4, 5.

') Degenen, die vroeger de onwaardigsten werden geacht (de ontmanden in betrekking tot het oude Sion), zullen, indien zij Gods wil en wet volbrengen, deel hebben aan al de voorrechten van Gods kinderen: eene plaats in Gods huis, den tempel, het burgerrecht in Sion en eenen naam, eene eer, welke de onder de Israëlieten zoo hoogge¬

schatte eer van een talrijk nakroost verre zal overtreffen; want onvergankelijk is de eer, die het kindschap Gods hun geven zal. Vgl. Ephes. II 19, volg. Een treffend voorbeeld der vervulling van het hier voorspelde is de «ontmande», die juist bij gelegenheid van het lezen van Isai. LUI 7, 8 door den apostel Philippus bekeerd werd; zie Act. VIII 27, volg.

*) De scheidsmuur, die in het oude Sion Israël van de zonen des aankomelings, zie noot 2, d. i. van de heidenen, afzonderde, zal in het nieuwe Sion weggenomen zijn. Dit drukt hier (v. 6, 7) de profeet op Oud-Testamentische wijze uit. Vgl. II 3; XI 9; Ps. CXXI1. Niet onduidelijk geeft hij te verstaan, dat in het nieuwe Sion God èn door gebed èn door offers zal aanbeden worden; dit offer werd later door Malachias (I 11) meer uitdrukkelijk aangekondigd. Zie Matth. XXI 13.

Sluiten