Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Numquid tale est jejunium, quod elegi, per diem affligere hominem animam suam? numquid contorquere quasi circulum caput suum, et saccum et ciaerem sternere? numquid istud vocabis jejunium, et diem acceptabilem Domino? Zaeh. VU 6.

6. Nonne hoe est magis jejunium, quod elegi? dissolve colligationes impietatis, solve fasciculos deprimentes, dimitte eos, qui confracti sunt, liberos, et omne onus dirumpe.

7. Frange esurienti panem tuum, et egenos, vagosque induc in domum tuam: cum videris nudum, operi eum, et carnem tuam ne despexeris. JEr. XVIII 7, 16; Matth. XXV 35.

8. Tune erumpet quasi mane lumen tuum, et sanitas tua citius orietur, et anteibit faciem tuam justitia tua, et gloria Domini colliget te.

9. Tune invocabis, et Dominus exaudiet: clamabis, et dieet: Ecce adsum: si abstuleris de medio tui catenam, et desieris extendere digiturn, et loqui quod non prodest.

10. Cum effuderis esurienti animam tuam, et animam afflictam repleve-

) De eerste vraag (Is dat) verklaart, hoedanig een vasten aan God welbehaaglijk is: zulk een, dat volgens de uitdrukking der Wet (zie noot 3) gepaard gaat met verootmoediging der ziel. De tweede vraag (of wel) verklaart, dat hun vasten louter uitwendig vertoon was: als een hoepel, Hebr.: «als een J*8»' Zich omgorden met boetgewaad (zie III 24) en zich in asch nederzetten was bh de Hebreërs in rouw en boete gebruikelijk.

6) God zegt, waarmede het Hem welbehaaglijke vasten moet gepaard gaan; vooreerst met verzaking aan allerlei verdrukking: Ontbind de drukkende of knellende banden van het onrechtmatig opgelegde juk.

') Het brood, dat in het Oosten dun

5. Is dat een vasten gelijk Ik het ' verkies, dat de mensch zijne ziel ; een dag kwelt? Of wel, dat hij

zijn hoofd als een hoepel kromt en zak en asch onder zich spreidt? Noemt gij dat een vasten en een dag welgevallig aan den Heer»)?

6. Is dit niet veeleer een vasten, dat Ik verkies: Maak los de knellingen der goddeloosheid, ontbind de drukkende banden, laat degenen, die verbrijzeld zijn, vrij en verbreek eiken last6).

7. Breek den hongerige uw brood en breng behoeftigen en zwervelingen in uw huis; als gij eenen naakte ziet, kleed hem en versmaad niet uw eigen vleesch7)!

8. Alsdan zal uw licht doorbreken als de morgen, en uwe genezing zal spoedig ontspruiten; en voor uw aangezicht zal uitgaan uwe gerechtigheid, en de heerlijkheid des Heeren zal u verzamelen8).

9. Alsdan zult gij roepen, en de Heer zal verhooren; gij zult schreien, en Hij zal zeggen: Zie, hier ben Ik. Als gij uit uw midden de boeien wegneemt en ophoudt den vinger uit te steken en te spreken wat onnut is,

10. als gij voor den hongerige uwe ziel uitstort en de gekwelde

en plat is, breken, een Hebr. uitdrukking, beteekent uitdeelen. Hebr.: «verberg u niet voor», d. i. onttrek uwe hulp niet aan, «uw eigen vleesch», d. i. aan verwanten, volksgenooten enz. Zie Zach. VII 4—13.

8) Uw licht, uwe verlossing uit den rampspoed; uwe genezing van de wonden, door de zonden geslagen, zal (een nieuw beeld) als een plant snel en welig ontspruiten; op uw levensweg zal uwe gerechtigheid, d. i. uw heil, zie XLI 2, als een lichtende fakkel voor u uitgaan, en Gods heerlijkheid, zijne heerlijke beschutting (eene zinspeling op de lichtende wolk van. Exod. xttt 21), zal «uwe achterhoede zijn» (Hebr.), u als eene kudde verzamelen en bijeenhouden. Vgl. Lil 12.

Sluiten