Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Tune delectaberis super Domino, et sustollam te super altitudines terra), et cibabo te hereditate Jacob patris tui: os enim Domini locutum est.

14. alsdan zult gij u verlustigen in den Heer, en Ik zal u de hoogten des lands doen bestijgen en u spijzigen met het erfdeel van Jaedb, uwen vader; want de mond des Heeren heeft gesproken13).

CAPUT LIX.

HOOFDSTUK LIX.

De tonden des volks beletten het heil De Heer komt als een machtig

1. Ecce non est abbreviata manus Domini ut salvare nequeat, neque aggravata est auris ejus ut non exaudiat: Num. XI 23; Supra L 2.

2. Sed iniquitates vestras diviserunt inter vos et Deum vestrum, et peccata vestra absconderunt faciem ejus a vobis ne exaudiret.

3. Manus enim vestras pollutss sunt sanguine, et digitivestriiniquitate: labia vestra locuta sunt mendacium, et lingua vestra iniquitatem fatur. Supra 115.

4. Non est qui invocet justitiam, neque est qui judicet vere: sed confidunt in nihilo, et loquuntur vanitates: conceperunt laborem, et pepererunt iniquitatem. Jobx XV35.

5. Ova aspidum ruperunt, et telas araneas texuerunt: qui eomederit de ovis eorum, morïetur: et quod confotum est, erumpet in regulum.

(v. 1—8). Schuldbekentenis (v. 9—15). Wreker en Verlosser (v. 16—21).

I 1. Zie, niet verkort is de hand des Heeren, dat Hij niet zou kunnen redden, en niet doof geworden is zijn oor, dat Hij niet zou kunnen hooren.

2. Maar uwe ongerechtigheden hebben scheiding gemaakt tusschen ulieden en uwen God, en uwe zonden hebben zijn aangezicht voor u verborgen, dat Hij niet hoore1).

3. Want uwe handen zijn bezoedeld met bloed en uwe vingeren met onrecht; uwe lippen hebben logen gesproken, en onrecht murmelt uwe tong.

4. Niemand is er, die de rechtvaardigheid inroept, en niemand, die een rechtzaak voert naar waarheid; maar zij betrouwen op nietigheid en spreken ijdelheden*); zij gaan zwanger van kwelling en baren onrecht.

5. Addereieren kippen zij, en spinnewebben weven zij; wie van hunne eieren eet, moet sterven; en wat uitgebroed is, komt als een koningsslang te voorschijn.

) De hoogten des lands beteekent het bergachtige Palestina (Deut. XXXII 13), aan Jacob als erfdeel voor zijn nageslacht beloofd, een zinnebeeld van het land der levenden, de strijdende en zegepralende Kerk, waarin de ware sabbatsrust is te vinden.

') Niet verkort, zie L 2; doof geworden, zie Zach. VII noot 7. Scheiding of een scheidsmuur, vgl. L 1, 2. Gods

aangezicht, d. i. zijne gunst.

*) Niemand, dezelfde hyperbolische uitdrukking als Ps. XIH 1, volg.; Mich. VII 2. De rechtvaardigheid inroept, d. i. daarnaar onderzoek doet, Hebr: «uitroept», d. i. openlijk als getuige daarvan optreedt. Naar waar-, heid, d. i. te goeder trouw, overtuigd van zijn goed recht. IJdelheden, wat ijdel of ledig aan waarheid is. Val. Job. XV 38; Ps. VII 15.

Sluiten