Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17. Ecce enim ego creo coelos novos, et terram novam: et non erunt in memoria priora, et non ascendent super cor. Infra LXVI 22; Apoc. XXI1.

18. Sed gaudebitis et exsultabitis usque in sempiternum in his, qua? ego creo: quia ecce ego creo Jerusalem exsultationem, et populum ejus gaudium.

19. Et exsultabo in Jerusalem, et gaudebo in populo meo: et non audietur in eo ultra vox fletus et vox clamoris.

20. Non erit ibi amplius infans dierum, et senex qui non impleat dies suos: quoniam puer centum annorum morietur, et peccator centum annorum maledictus erit.

21. Et aedificabunt domos, et habitabunt: et plantabunt vineas, et comedent fructus earum.

22. Non aedificabunt, et alius habitabit: non plantabunt, et alius comedet: secundum enim dies ligni,

als verdwenen zijn, zoodat God nimmermeer zijn nieuw Sionsvolk, gelijk voorheen, zal tuchtigen.

") Die nieuwe schepping, welke door hare volkomenheid den vongen toestand zal doen vergeten, is het Rijk van den Messias in zijne algeheele voltooiing, wanneer God in de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde zijne heerlijkheid en die der kinderen Gods zal openbaren; zie LI 6, 16. Vgl. Rom. VIII 21; II Petr. III 13; Apoc. XXI 1.

**) Dit nieuwe Jerusalem, dat enkel jubel, en zijn volk, dat louter blijdschap zijn zal, is de verheerlijkte Kerk met haar gezaligde uitverkorenen.

") Zie Soph. III 17 over Gods blijdschap. Zie verder XXV 8; XXXV 10; Apoc. VII 17; XXI 4.

") Daar volgens Exod. XX12; Deut. V 16 een hooge ouderdom de belooning en derhalve het kenteeken is van een heilig en deugdzaam leven, schildert

17. Want zie, Ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde; en de vorige zullen niet meer in de geheugenis zijn, en zij zullen met opkomen in het hart16).

18. Maar gij zult u verheugen en juichen voor immer om hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jerusalem om tot jubel en zijn volk tot blijdschap17).

19. En Ik zal juichen over Jerusalem en Mij verheugen over mijn volk; en niet langer zal daarin gehoord worden de stem van het geween en de stem van het geschrei18).

20. Niet meer zal daar een kind zijn van dagen en een grijsaard, die zijne dagen niet vol maakt; want de knaap zal als honderdjarige sterven, en de zondaar als honderdjarige door den vloek getroffen worden19).

21. En zij zullen huizen bouwen en ze bewonen; en zij zullen wijngaarden planten en de vruchten er van eten.

22. Niet zullen zij bouwen, en een ander zal bewonen; niet zullen zij planten, en een ander zal eten20); want gelijk de dagen van het ge-

de profeet de heiligheid van het nieuwe Jerusalem onder het beeld van een langen levensduur, gelijk aan dien der aartsvaders vóór den zondvloed. Vgl. Zach. VIII4. Een kind van weinige dagen, d. i. dat slechts enkele dagen leeft, zal daar niet meer zijn. Wanneer daar een honderdjarige zou sterven, het zou zijn alsof er een knaap stierf of wel een zondaar, die, door den vloek getroffen, in het midden zijner dagen met den dood werd gestraft. Het is alles louter veronderstellende beeldspraak en inkleeding der boven genoemde gedachte ; verkeerdelijk derhalve wordt dit door de Chiliasten letterlijk genomen.

M) Een ander beeld om de heiligheid van het nieuwe Sionsvolk uit te drukken. Veiligheid en vruchtbaarheid waren het bewijs, dat Israël aan God en zijne wet getrouw was. Zié de tegenovergestelde bedreiging Lev. XXVI16; Deut. XXVIII 30, 33.

Sluiten