Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prophetia Jeremiae.

CAPÜT I.

HOOFDSTUK I.

Opschrift (v. 1—3). Jeremias' roeping (v. 4—10). Twee profetische gezichten ter verklaring zijner bediening (v. 11—16). Belofte van goddelijken bijstand (v. 17-19). -3

E R B A Jeremias filii

Helciae, de sacerdotibus, qui fuerunt in Anathoth, in terra Benjamin.

2. Quod factum est

verbum Domini ad eum in diebus Josias filii Arnon regis Juda, in tertiodecimo anno regni ejus.

3. Et factum est in diebus Joakim filii Josias regis Juda, usque ad consummationem undecimi anni Sedeciae filii Josias regis Juda, usque ad transmigrationem Jerusalem, in mense quinto.

4. Et factum est verbum Domini ad me, dicens:

5. Priusquam te formarem in utero, novi te: et antequam exires de vulva, sanctificavi te, et prophetam in gentibus dedi te.

E woorden van Jeremias, den zoon van Helcias, uit de priesters, die te Anathoth in het land van Benjamin waren.

2. Het. wnnrd Aaa

Heeren1), dat tot hem geschiedde

in ae aagen van Josias, den zoon van Arnon, den koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regeering.

3. En het geschiedde in de dagen van Joakim, den zoon van Josias, den koning van Juda, tot aan het einde van het elfde jaar van Sedecias, den zoon van Josias, den koning van Juda, tot aan de wegvoering van Jerusalem, in de vijfde maand2).

4. En het woord des Heeren geschiedde tot mij3), zeggende:

5. Eer Ik u vormde in den moederschoot, kende Ik u; en eer gij voortkwaamt uit moeders-lichaam, heiligde Ik u; en Dx stelde u tot een profeet voor de volken4).

) De woorden van Jeremias (v. 1) j i^2,1j.ne Pr«üking, heeten hier uitdrukkelijk het woord, d. i. de openbaring, des Heeren. Zie verder de Inleiding.

*) Joachaz en Jechonias zijn niet met name genoemd, daar zij ieder slechts ane maanden regeerden: vel. IV Re«r "in 31; XXI> 8. Zie gvërder Ié Inleiding. Het einde (de Septuagint laat dit woord weg) van het elfde faar viel voor Sedecias in de vijfde maand

van dat jaar, toen hij, bij de verwoesting van Jerusalem, ophield te regeeren (zie Lil 12 volg.. 27). De nog later uitgesproken profetieën (XL—XLIV) zijn in dit opschrift niet begrepen en als een aanhangsel te beschouwen: zie XL 1.

*) In het dertiende jaar van Josias. zie v. 2; vgl. XXV 3.

*) Eer Ik u vormde, d. i. vóór uw bestaan, dus van eeuwigheid, kende Ik u, d. i. bestemde Ik u voor tot mijn

Sluiten