Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Et dixi, A a a, Domine Deus: ecce nescio loqui, quia puer ego sum.

7. Et dixit Dominus ad me: Noli dicere: Puer sum: quoniam ad omnia, quae mittam te, ibis: et universa, qusecumque mandavero tibi, loqueris.

8. Ne timeas a facie eorum: quia tecum ego sum ut eruam te, dicit Dominus.

9. Et misit Dominus manum suam, et tetigit os meum: et dixit Dominus ad me: Ecce dedi verba mea in ore tuo:

10. Ecce constitui te hodie super gentes, et super regna ut evellas, et destruas, et disperdas, et dissipes, et aedifices, et plantes. Infra XVIII 7.

11. Et factum est verbum Domini ad me, dicens: Quid tu vides Jer e-

6. En ik zeide: Ach, ach, ach, Heere God! zie, ik weet niet te spreken, want ik ben een knaap6).

7. En de Heer zeide tot mij: Zeg niet: De ben een knaap; want tot alles, waartoe6) Ik u zenden zal, zult gij gaan; en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken.

8. Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik, Ik ben met u om u te redden, zegt de Heer.

9. En de Heer strekte zijne hand uit en raakte mijnen mond aan; en de Heer zeide tot mij: Zie, Ik heb mijne woorden in uwen mond gelegd').

10. Zie, Ik heb u heden gesteld over de volken en over de koninkrijken om uit te roeien en af te breken en te verdelgen en te verwoesten en op te bouwen en té planten8).

11. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: Wat

bijzonderen dienstknecht. Tot ditzelfde doel had God hem in den moederschoot, d. i. vóór zijne geboorte, geheiligd, d. i. van de zonde gereinigd en met genade versierd; thans in het dertiende jaar (zie v. 2) stelde Hij hem tot een profeet, voor Israël niet alleen, doch ook voor de heidensche volken, zie v. 10. — Velen nemen met den H. Ephrem heiligen in de gewone beteekenis van afzonderen, wijden tot den dienst van God (vgl. Is. XIII 3), zoodat dit niets anders is dan eene nadere verklaring van het kennen in het eerste verslid.

*) In het Hebr. slechts eenmaal «aha», een uitroep van verwondering en huivering voor den hem opgedragen last. Een knaap,- Septuag. «neöteros», d. i. te jong; evenals het Lat. puer wordt het Hebr. na'ar van knaap en jongeling gezegd, b.v. II Par. XXXIV 3 van den zestienjarigen Josias. Men vermoedt, dat Jeremias toen ongeveer twintig jaren oud was.

6) Septuag.: «tot allen, tot wie» enz. God bekleedt zijnen profeet, krachtens zijne zending, met gezag, belooft zijne woorden in diens mond te leggen en (v. 8) hem te sterken en uit gevaren te redden. Van den profeet echter

vordert Hij volmaakte gehoorzaamheid in alles en tot alles.

') Deze zinnebeeldige handeling werd in profetische geestvervoering, met uitwendig en lichamelijk, voltrokken, zie Is. VI 7. Als tolk des Heeren zal de profeet niet zijn eigen, maar het hem door God ingegeven woord spreken; vgl. Deut. XVIII 18.

") U gesteld, Hebr. tot opziener aangesteld en dus met macht over de volken en de koninkrijken bekleed. De uitwerking van zijn bediening wordt eerst als vernielend, vervolgens als opbouwend voorgesteld, omdat hij het vele kwaad moet uitroeien, eer er van opbouwen sprake kan zijn. Zijn woord zal niet alleen dat alles voorspellen, maar, dewijl het Gods woord is, uitwerken wat het aankondigt, zie V 14; Ps. XXXII 6, 9. Vgl. XXXI 28, waar ditzelfde aan God zeiven wordt toegeschreven. — Om volken uit hunne landen als boomen uit te roeien, rijken als gebouwen af te breken; om de stad Gods op te bouwen en den wijngaard des Heeren (Gods volk) te planten; vgl. II 21. Voor de twee woorden van gelijke beteekenis afbreken en verdelgen heeft de Septuagint slechts één woord.

Sluiten