Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30. Frustra percussi filios vestros, disciplinam non receperunt: devoravit gladius vester prophetas vestros, quasi leo vastator

31. Generatio vestra. Videte verbum Domini: Numquid solitudo factus sum Israëli, aut terra serotina? quare ergo dixit populus meus: Recessimus, non veniemus ultra ad te?

32. Numquid obliviscetur virgo ornamenti sui, aut sponsa fascis pectoralis suas? populus vero meus oblitus est mei diebus innumeris.

33. Quid niteris bonam ostendere viam tuam ad quaerendam dilectionem, quas insuper et malitias tuas docuisti vias tuas,

84. Et in alis tuis inventus est sanguis animarum pauperum et innocentum? non in fossis inveni eos, sed in omnibus, quas supra memoravi.

35. Et dixisti: Absque peccato et innocens ego sum: et propterea avertatur furor tuus a me. Ecce

lk u zwaarder gestraft heb, dan gij verdiendet.

M) In plaats van door de tuchtiging tót inkeer te komen, doodden zij als wilde dieren de door God gezonden profeten, die de straffen voorspelden; zie IV Reg. XXI 16; XXIV 4. Vgl. Matth. XXIII 35, 37; Luc. XI 47.

") Dat nauwelijks late en halfrijpe vruchten geeft, Hebr.: «een land van duisternis», d. i. een akelige wildernis «met doornen begroeid» (Septuag.). Zie v. 6; Job. XXX 3.

*°) De bruid des Heeren, Israël, vergat Jehova, haren roem en haren luister.

31) Naar den H. Hiëronymus is de zin van v. 33, 34: Vergeefs tracht gij u te ontschuldigen en het goede te toonen, dat gij verricht, om mijne liefde te herwinnen. Want gij zijt zoo bedorven, dat gij ook aan anderen uwen boozen weg leert. Gelijk de vleugelen van een arend bezoedeld zijn met het bloed zijner slachtoffers, zoo bevond zich aan uwe vleugelen, d. i. aan de

30. Vergeefs heb Dx uwe kinderen geslagen, geene tucht namen zij aan; uw zwaard heeft uwe profeten verslonden, als een worgende leeuw

31. is uw geslacht»8). Slaat acht op het woord des Heeren: Ben Dx voor Israël een woestijn geweest, of een laat vruchtgevend land**) ? Waarom dan heeft mijn volk gezegd : Wfl zijn heengegaan, wij willen niet meer tot U komen?

32. Kan eene jonkvrouw haren tooi vergeten, of eene bruid haren lijfgordel? Maar mijn volk heeft Mij vergeten, ontelbare dagen80)!

33. Wat beijvert gij u te toonen, dat uw weg goed is, om naar liefde te streven, gij, die bovendien nog uwe boosheden leert aan uwe wegen,

34. terwijl aan uwe vleugelen het bloed der zielen van armen en onschuldigen is bevonden? Niet in groeven vond Dx hen, maar op alle plaatsen, welke Dx boven vermeldde*1).

35. En gij zeidet: Zonder zonde en onschuldig ben ik; en daarom wende zich uw toorn van mij af*1)!

zoomen uwer kleederen, het bloed van onschuldig vermoorden (zie IV Reg. XXIV 4); ik vond die slachtoffers niet in groeven, op verborgen plaatsen, maar in het openbaar op alle plaatsen. De slotwoorden qua supra memoravi staan niet in de vertaling van den H. Hiëronymus. — Het Hebr. vertaalt men verklarend: «Hoe voortreffelijk licht gij uwen weg in om te streven naar min (verboden liefde voor de afgoden): daarom (omdat uit afgoderij allerlei boosheid volgt) hebt gij ook aan wat slecht is uwen weg gewoon gemaakt. Ook bevond zich aan de zoomen van uwe kleederen (Septuag. «aan uwe handen») het bloed der zielen van armen en onschuldigen, die gij niet op inbraak betraptet (eene zinspeling op Exod. XXII 2, zie noot 2 aldaar); maar bij dat alles!» De zin is afgebroken en duister. Anderen voegen de laatste woorden bij het volgende vers:« Bij dat alles zeidet gij» enz.

*') Hebr.: «voorzeker heeft zich zijn toorn van mij afgewend». Het ver-

Sluiten