Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Leva oculos tuos in directum, et vide ubi non prostrata sis: in viis sedebas, exspectans eos quasi latro in solitudine: et polluisti terram in fornicationibus tuis, et in malitiis tuis.

8. Quam ob rem prohibitae sunt stillae pluviarum, et serotinus imber non fuit: frons mulieris meretricis facta est tibi, noluisti erubescere.

4. Ergo saltem amodo voca me: Pater meus, dux virginitatis meae tu es:

5. Numquid irasceris in perpetuum, aut perseverabis in finem? Ecce locuta es, et fecisti mala, et potuisti.

6. Et dixit Dominus ad roe in diebus Josias regis: Numquid Vidisti quae fecerit aversatrix Israël? abiit sibimet super omnem montem excelsum, et sub omni ligno frondoso, et fornicata est ibi. Supra II 20.

7. Et dixi, cüm fecisset haec omnia: Ad me revertere: et non est rever-

terug (te) keeren». De laatste tekstwoorden en Ik zal u aannemen staan niet in de vertaling van den H. Hiëronymus en in geen enkelen anderen tekst.

*) Recht voor u uit, Hebr.: «naar de hoogten», de plaatsen, waar de geestelijke ontucht der afgoderij gepleegd werd; vgl. II 20. — aan de wegen als eene schaamtelooze vrouw, zie Gen. XXXVIII 14; Ez. XVI 25.— alt een roover, Hebr.: «een Arabier», die op voorbijtrekkende reizigers loert.

*) Straffen brachten Israël niet tot inkeer. Zie over den laten regen Lev. XXVI 3; Osee VI noot 5.

*) Naar de Vulgaat is v. 4 en 5a een gebed, dat God aan bet zondige Israël in den mond legt om barmhartigheid te bekomen. Hierop antwoordt God in 56: Zoo spraakt gij, Israël, en hoewel gij veel kwaad hadt bedreven, waart gij door uw gebed vermogend tegenover Mij. Maar naar het Hebr. zijn het huichelachtige woorden van het door rampen gedrukte Israël, waarmede zijne daden in tegenspraak zijn: «Roept gij niet (eerst) nu tot Mij: Mijn

2. Hef uwe oogen op recht voor u uit en zie, waar gij u niet hebt neergestrekt; aan de wegen waart gij gezeten, hen afwachtende als een roover in de woestijn*); en gij ontwijddet het land door uwe hoererijen en door uwe boosheden.

3. Daarom zijn de regendruppelen weerhouden, en kwam er geen late regen; een hoeren voorhoofd hadt gij, u schamen wildet gij niet4).

4. Noem Mij dan ten minste van nu af: Mijn vader, de leidsman mijner jonkheid zijt Gij!

5. Zult Gij eeuwig vergramd blijven of daarin volharden ten einde toe? Zie, (zoo) spraakt gij en gij deedt het kwaad en waart vermogend*).

6. En de Heer zeide tot mij in de dagen van Josias, den koning*): Hebt gij gezien, wat de afvallige, Israël, gedaan heeft? Zij ging naar eigen lust op eiken hoogen berg en onder eiken loofrijken boom en hoereerde aldaar7).

7. En Ik zeide, nadat zij dat alles bedreven had: Keer terug tot Mij*).

vader! De echtvriend mijner jeugd (zie II 2) zijt Gij! Zou Hij eeuwig (den toorn) behouden, dien immer bewaren kunnen? Zie, zoo spraakt gij en deedt (inmiddels) het kwaad, en wel met kracht». Waarschijnlijk ziet dit op den eersten tijd na Josias' hervorming, toen velen met den mond Jehova aanriepen, terwijl hunne daden met die woorden in tegenspraak waren. Hiermede bewijst de profeet hunne onbeschaamdheid (v. 3).

6) In aansluiting met v. 1—5 leert deze strafrede (III 6—IV 4) wat tot eene ware bekeering vereischt wordt. Vooreerst een nederig schuldbesef. Daarom toont de profeet aan Juda zijne schuld uit de vergelijking met die van het reeds gestrafte Tienstammenrijk.

0 Zie II 20. Vgl. IV Reg. XVI 3, 4. De afvallige, Hebr. «mesjoeba», eigenlijk «afvalligheid», is als de eigennaam van het tot den kalverendienst en de afgoderij vervallen Tienstammenrijk.

*) Zoo sprak God door de profeten, zie IV Reg. XVII 13—17.

Sluiten