Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22. Quia stultus populus meus me non cognovit: filii insipientes sunt, et vecordes: sapientes sunt ut faciant mala, bene autem facere nescierunt.

23. Aspexi terram, et ecce vacua erat, et nibili: et coelos, et non erat lux in eis.

24. Vidi montes, et ecce movebantur: et omnes colles conturbati sunt.

25. Intuitus sum, et non erat homo: et omne volatile cceli recessit.

26. Aspexi, et ecce Carmelus desertus: et omnes urbes ejus destructaa sunt a facie Domini, et a facie irsB furoris ejus.

27. HtBO enim dicit Dominus: Deserta erit omnis terra, sed tarnen consummationem non faciam.

28. Lugebit terra, et moerebunt cceli desuper: eo quod locutus sum, cogitavi, et non poenituit me, nee aversus sum ab eo.

29. A voce equitis, et mittentis sagittam f ugit omnis civitas: ingressi sunt ardua, et ascenderunt rupes: universse urbes derelictse sunt, et non habitat in eis homo.

22. Want21) dwaas is mijn volk, het heeft Mij niet gekend; onwijze en onverstandige kinderen zijn zij; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed doen kennen zij niet!

23. Ik schouwde op de aarde — en zie, zij was ledig en een niet! En naar de hemelen — en er was geen licht in hen22)!

24. Dx zag de bergen — en zie, zij beefden; en al de heuvelen schudden23)!

25. Dx zag toe, en er was geen mensch, en al het gevogelte des hemels was gevloden!

26. Dx schouwde — en zie, de Karmel1*) was woest; en al zijne steden waren vernield voor het aangezicht des Heeren en voor het aangezicht der gramschap van zijne verbolgenheid.

27. Want dit zegt de Heer: Woestenij zal worden het geheele land, maar nochtans geene eindverdelging zal Dx brengen25).

28. Treuren zal de aarde, en in rouw zullen de hemelen zijn daarboven; dewijl Dx heb gesproken, besloten heb, en het heeft Mij niet berouwd, en Dx ben daarvan niet afgeweken26).

29. Voor de stem des ruiters en des boogschutters vlucht geheel de stad; zij begeven zich in ongenaakbare plaatsen en beklimmen rotsen; al de steden zijn verlaten, en daarin woont geen mensch27).

") Gods antwoord: Die jammeren zullen aanhouden, want enz. Dwaas heet in de H. Schrift de zondaar, want de zonde is de rampzaligste dwaasheid.

") In v. 23—26 schildert de profeet den toestand des lands, ja der geheele aarde, na de voltrekking van Gods wraakgericht. De aarde was voor zijn profetischen blik weder tohoe vabohoe (Hebr.), d. i. vormeloos en ledig (Gen. I 2; vgl. Is. XXXIV 11). Duisternis is ook hier een beeld van rampen; zie Is. VIII 22; XIII 10.

**) Vgl. Is. V 25 i Mich. I 4.

") Zie II noot 7.

**) God bevestigt door zijn woord wat Hij den profeet in gezicht liet aan¬

schouwen. Geene eindverdelging, want Juda moet blijven bestaan, opdat de belofte van den Messias in vervulling ga; vgl. Is. VI 13; X 21; XI 11, 16 enz. Nochtans zal het gericht over Juda schrikwekkend zijn, want (v. 28) onherroepelijk is Gods besluit, dat de zonde moet gestraft worden.

*•) Septuag.: «dewijl Ik heb gesproken en het zal Mn niet berouwen, (dewijl) Ik heb aangevangen en daarvan niet zal afwijken».

") De uitwerking van het gericht op het land (want in plaats van de stad heeft de Septuag. «de landstreek») en op de steden van Juda, Sion uitgezonderd, dat in v. 30 wordt toegesproken. In

Sluiten