Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80. Tu autem vastata quid facies? cum vestieris te coccino, cum ornata fueris monili aureo, et pinxeris stibio ooulos tuos, frustra componeris: contempserunt te amatores tui, animam tuam quaerent.

31. Vocem enim quasi parturientis audivi, angustias ut puerperae: vox filisa Sion intermorientis, expandentisque manus Suas: vae mihi, quia defecit anima mea propter interfectos.

30. Gij echter, overweldigde, wat zult gij doen? Al kleedt gij u in karmozijn, al tooit gij u met gouden kleinooden en bestrijkt gij uwe oogen met spiesglans, vergeefs siert gfr u op; versmaad hebben u uwe minnaars, zij staan u naar het leven*8).

31. Want geschrei als van eene barende heb ik gehoord, angstkreten als van eene, die een kind ter wereld brengt*8); het is het geschrei der dochter Sion, die in doodsnood is en hare handen uitstrekt. Wee mij, want mijne ziel bezwijkt om de verslagenen80).

CAPUT V.

HOOFDSTUK V.

Aanklacht over het zedenbederf (v. 1-9); het naderende gericht (v. 10-19)her haalde, en ■npr*r>h&~r,t» „ —1.1 ij 1 *"/»

1. Cirenite vias Jerusalem, et aspicite, et considerate, et quserite in plateis ejus, an inveniatis virum facientem judicium, et quaerentem fidem: et propitius ero ei.

2. Quod si etiam Vivit Dominus, dixerint: et hoe falso jurabunt.

3. Domine oculi tui respiciunt fidem: percussisti eos, et non dolu-

de steden achten de bewoners zich niet veilig, zij vluchten op steile rotsen als weleer Judic VI 2; i Reg, XIII 6.

**) De middelen, welke de boeleerster Sion voorheen aanwendde om hare minnaars, de heidensche machten, te behagen, zullen haar dan voor dien vijand niet meer baten; eene toespeling op Jezabel IV Reg. IX 30. — karmozijn, zie Is. I 18; spiesglans, zie Is. LIV noot 11. Omdat Sion's ondergang zeker is, noemt haar de profeet overweldigde • in de Septuag. staat dit niet.

™) Hebr.: «voor het eerst ter wereld brengt». Zoo ook schreit Sion bij Is. III 26.

•*) Hebr.: «voor de moordenaars», die Sion naar het leven staan», zie v. 30.

') In de hier volgende aanklacht

1. Doorkruist de wegen van jerusalem en schouwt toe, en ziet re*id en zoekt in hare straten, of gij iemand vindt, die het recht be-. tracht en naar trouw streeft; en De zal haar genadig zijn1).

2. En al zeggen zij ook: Zoo waar ae Heer leeft, dan zweren zij noe valschelijk2). 6

3. Heer, uwe oogen slaan de trouw gade3)! Gij hebt hen geslagen, en

jY: I—9) toont de profeet aan, dat het 6—31 aangekondigde gericht eene gerechte straf is. — De zin is: — of er iemand is, die het door Gods wet voorgeschreven recht met getrouwheid betracht. Men mag dit niet in den strengsten zin opvatten, alsof er geen enkele vrome gevonden werd; zie Mich. VII 2» noot 2; vgl. Ps. XIII 2, 3. — haar, de stad Jerusalem. Eene zinspeling od ™rtttam>'s 3ebed voor Sodoma Gen. XVIII 23 volg.; vgl. Ez. XIV 14, 18,

*) De meesten zwoeren bij hunnen afgod. En beleed men al den waren God door bij Hem te zweren, dan schrikte men met terug voor meineed. Een zeker teeken eener diep bedorven maatschappfj. Vgl. IT 2.

*) M. a. w. God wil, dat de mensch

Sluiten