Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erunt: attrivisti eos, et renuerunt accipere disciplinam: induraverunt facies suas supra petram, et noluerunt reverti.

4. Ego autem dixi: Forsitan pauperes sunt et stulti, ignorantes viam Domini, judicium Dei sui.

5. lbo igitur ad optimates, et loquar eis: ipsi enim cognoverunt viam Domini, judicium Dei sui: et ecce magis hi simul confregerunt jugum, ruperunt vincula.

6. Idcirco percussit eos leo de silva, lupus ad vesperam vastavit eos, pardus vigilans super civitates eorum: omnis, qui egressus fuerit ex eis, capietur: quia multiplicataa sunt praevaricationes eorum, confortate sunt aversiones eorum.

7. Super quo propitius tibi esse potero ? filii tui dereliquerunt me, et jurant in his, qui non sunt dii: saturavi eos, et mcechati sunt, et in domo meretricis luxuriabantur.

8. Equi amatores, et emissarii facti sunt: unusquisque ad uxorem proximi sui hinniebat. Ez. XXII11.

9. Numquid super his non risitabo,

zij ontwaarden geen smart; Gij hebt hen verbrijzeld, en zij weigerden de tucht aan te nemen; zij maakten hun gelaat harder dan een rotssteen en wilden niet terugkeeren*).

4. En ik zeide: Wellicht zijn het de geringen, en zijn zij dwaas, dewijl zij onbekend zijn met den weg des Heeren, met het recht van hunnen God.

5. Dx zal dan gaan tot de grooten en met hen spreken; want zij kennen den weg des Heeren, het recht van hunnen God. En zie, nog meer hadden dezen altemaal het juk verbroken, de banden vaneengescheurd5)!

6. Daarom heeft de leeuw uit het woud hen geslagen, de wolf bij avond hen overweldigd, loert de panter op hunne steden: al wie er uitgaat, zal gegrepen worden'). Want menigvuldig zijn hunne trouweloosheden, geweldig zijn hunne afvalligheden.

7. Waarom zou Dx u genadig kunnen zijn? Uwe kinderen hebben Mij verlaten en zweren bij hen, die geeh goden zijn; Ik heb hen verzadigd, en zij bedreven overspel, en in het hoerenhuis gaven zij zich over aan ontucht').

8. Hitsige en bespringende hengsten zijn zij geworden8); een iegelijk hinnikt naar de huisvrouw zijns naasten.

9. Zou Ik hierover geen bezoeking

tegenover Hem en tegenover zijnen naaste de trouw bewaart, en Hij had daarom de ontrouw van zijn volk gestraft. Doch het was vergeefs!

*) Geen spoor van schaamte of berouw vertoonde zich op hun onbeschaamd gelaat. Vgl. Is. XLVHI 4; Ez. II 4.

*) Zie II noot 19.

*) Heeft geslagen enz., een profetisch verleden. Genoemde roofdieren beteekenen bloeddorstige, roofgierige vijanden ; vgl. Lev. XXVI21,22. — de leeuw, zie IV noot 7. — de wolf bij avond, zie Hab. I 8; Soph. III 3; anderen vertalen het Hebr.: «de wolf der woestijn»; naar de Septuag. komt hij rooven

«bij hunne huizen», gelijk de panter onder de muren der steden, zie Osee XIII 7.

') Waarom, d. i. om welk goed werk. — Ik heb hen verzadigd in het vruchtbare Chanaan. dat Ik hun tot woonstede gaf; vgl, Deut. XXXII 16; anderen vertalen het Hebr.: «Ik hebhen doen zweren», te weten het Sinaïetisch verbond, dat nog onlangs onder Josias was bezworen IV Reg. XXIII 3. Het hoerenhui», waar «zij zich bij hoopen verzamelden» (Hebr.), beteekent de plaats van ontuchtige afgoderij.

•) Hiermede worden zij om hunnen teugelloozen wellust vergeleken.

Sluiten