Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Populo autem huic factum est oor incredulum et exasperans, recesserunt et abierunt.

24. Et non dixerunt in corde suo: Metuamus Dominum Deum nostrum, qui dat nobis pluviam temporaneam et serotinam in tempore suo: plenitudinem annuas messis custodientem nobis.

25. lniquitates vestras declinaverunt hese: et peccata vestra prohibuerunt bonum a vobis:

26. Quia inventi sunt in populo meo impii insidiantes quasi aucupes, laqueos ponentes, et pedicas ad capiendos viros.

27. Sicut decipula plena avibus, sic domus eorum plenas dolo: ideo magnificati sunt et ditati.

28. Incrassati sunt et impinguati: et praeterierunt sermones meos pessime. Causam viduas non judicaverunt, causam pupilli non direxerunt, et judicium pauperum non judicaverunt. Ia. 123; Zaeh. VII10.

29. Numquid super his non visitabo, dicit Dominus? aut super gentem hujuscemodi non ulciscetur anima mea ?

30. Stupor et mirabilia facta sunt in terra:

31. Prophetas prophetabant mendacium, et sacerdotes applaudebant manibus suis: et populus meus dilexit talia: quid igitur fiet in novissimo ejus?

houdt de Heer door louter oeverzand binnen de gestelde palen, doch Israël ' Zie v. 28.

'")_ Voor Gods weldaden toonde zich Israël even ongevoelig als voor de bewijzen zijner almacht. Zie Over den vroegen en den laten regen Hl noot 4. In plaats van de volheid of den overvloed van den jaarlijkschen oogst heeft het Hebr. waarschijnlijk: «de voor den oogst vastgestelde weken», te weten de zeven weken tusschen Paschen en Pinksteren, binnen welke het in Pa-

23. Maar dit volk heeft een onge| hoorzaam en weerspannig hart, afgeweken zijn zij en heengegaan.

24. En zij zeiden niet in hun hart: Vreezen wij den Heer, onzen God, die ons den regen schenkt, den vroegen en den laten, op zijnen tijd, die ons de volheid van den jaarlijkschen oogst bezorgt19).

25. Uwe ongerechtigheden hebben dat verkeerd, en uwe zonden hebben het goede van u weerhouden20).

26. Want onder mijn volk zön booswichten gevonden, die lagen leggen gelijk de vogelaars, die strikken en vallen zetten om mannen te vangen.

27. Gelijk eene knip vol vogels, zoo znn hunne huizen vol bedrog; daardoor maken zij zich groot en rijk.

28. Zwaarlijvig zijn zij geworden en vet*1); en zij overtreden mijne woorden allersnoodst. De zaak der weduwe richten zij niet, de zaak van den wees beslechten zij niet en het pleit der armen richten zij niet. "

29. Zou Dr hierover geen bezoeking brengen, zegt de Heer? En zou mijne ziel zich niet wreken aan een dergelijk volk*2)?

80. Ontzettende en verbazende dingen zijn geschied in het land: 31. de profeten profeteeren logen en de priesters klappen in hunné handen; en mijn volk schept daar behagen in. Wat dus zal geschieden aan het einde daarvan**) ?

lestina niet regent.

,0) De regen was niet op den gewenschten tijd gevallen, de oogst was mislukt. 6

**) Hebr.: «glanzend van vetheid», een zinnebeeld van rijkdom en weelde en voorts van gevoelloosheid en verstoktheid. Vgl. Deut. XXXH 15. Deze eerste woorden ontbreken in de SeDtuag. r

") Eene herhaling van v. 9.

"> De valsche profeten met hunne leugenbeloften en de met hen samen-

Sluiten