Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29. Defecit sufflatorium, in igne consumptum est plumbum, frustra conflavit conflator: maliti» enim eorum non sunt consumptse.

30. Argentum reprobum vocate eos, quia Dominus projecit illos.

29. Bezweken is de blaasbalg, door net vuur is het lood verteerd, vergeefs heeft de louteraar gelouterd • want hunne boosheden zijn niet verteerd geworden15).

30. Noemt hen afgekeurd zilver want de Heer heeft hen verworpen'

CAPUT VII.

HOOFDSTUK VII.

IJdel vertrouwen op de onschendbaarheid van den tempel (v. 1-10)- evenmin ^,f°fMff«Pa«rd heeft, zal Hij Jerusalem en het heilig dom vJscZlTn

niet^l^riei7°lnfe VM Jeremias k?n aan die afgodendienaars met baten (v.i6-20); verwerping van den louter uitwendigen eeredienst (v. 21—29); de heidensche gruwelen in Topheth en Gods wraak aldaar (v. 29—34).

U Verbum, quod factum est ad Jeremiam a Domino, dicens:

2. Sta in porta domus Domini, et pnsdica ibi verbum istud, et die: Audite verbum Domini omnis Juda, qui ingredimini per portas has, ut adoretis Dominum.

3. Hac dicit Dominus excercituum Deus Israël: Bonas f acite vias ve-

**) De profeet had het werk der loutering met zooveel krachten inspanning ten uitvoer gelegd, dat door het felle vuur de blaasbalg was bezweken, Hebr. «verbrand», en het lood (dat bij het erts gevoegd wordt om het spoediger te doen smelten) was verteerd; en toch vergeefsch was al die inspanning, want (Hebr.) «de kwaden lieten zich niet afscheiden». De geheele menigte was bedorven. Daarom volgt in v. 30 het eindvonnis. Vgl. Ez. XXH18—22: XXIV 11—13.

'1 De Drofetie VTT—IV wmvif

temcelrede genaamd, nmitat «ft ï»

tempel gehouden is (v. 2) en, althans in haar eerste deel (VII 3—VIII 8), den tempel tot onderwerp heeft. De

proieet Komt op tegen overschatting van den uiterlijken eeredienst en tegen den valschen waan, dat de tempel onschendbaar zijn zou. — Daar de korte inhoud dezer profetische rede in XXVI

1. Het woord, dat van den Heer tot Jeremias geschied is, zeggende1) : e

2. Plaats u aan de poort van het huis des Heeren en predik aldaar dit woord en zeg: Hoort het woord des Heeren, geheel Juda, gij, die ingaat door deze poorten om den Heer te aanbidden1}!

3. Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Richt

2—6 terugkeert, meenen sommigen dat de daar v. 1 gegeven tijdsbepaling (onder koning Joakim) ook voor deze profetie geldt. Anderen achten het waarschijnlijker, dat de profeet, die dikwerf m den tempel sprak en. waar het zooals hier ingewortelde dwalingen gold. meermalen hetzelfde moest herhalen deze leerrede onder koning Josias ge' houden en later onder koning Joakim herhaald heeft.

*) Aan de poort, waardoor geheel Juda, d. L het volk, b. v. op een sabbat of op een der drie hooge feestdagen, inging, te weten in het buitenste voorhof; het ia derhalve niet de XXVI10 (vgl. XXXVI10) genoemde poort, welke tot het binnenste voorhof voerde. Door deze poorten in het meervoud, want meerdere poorten voerden tot het buitenste voorhof. De Septuagint heeft van deze twee eerste verzen niets dan dit: «hoort het woord des Heeren, huis van Juda».

Sluiten