Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stras, et studia vestra: et habitabo vobiscum in loco isto.

4. Nolite confidere in verbis mendacii, dicentes: Templum Domini, templum Domini, templum Domini est.

5. Quoniam si bene direzeritis vias vestras, et studia vestra: si feceritis judicium inter virum et proximum ejus,

6. Advenae, et pupillo, et viduae non feceritis calumniam, nee sanguinem innocentem effuderitis in looo hoe, et post deos alienos non ambulaveritis in malum vobismetipsis:

7. Habitabo vobiscum in loco isto: in terra, quam dedi patribus vestris a saeculo et usque in saeculum.

8. Ecce vos confiditis vobis in sermonibus mendacii, qui non proder unt vobis:

9. Furari, occidere, adulterari, jurare mendaciter, libare Baalim, et ire post deos alienos, quos ignoratis.

10. Et venistis, et stetistis coram me in domo hac, in qua invocatum est nomen meum, et dixistis: Liberati sumus eo quod fecerimus omnes abominationes istas.

') Hebr.: «uwe wegen en uwe werken» (gelijk v. 5; XVIII 11; XXVI 13) en verder (ook Septuag.).: «Ik zal u doen wonen in dit oord», d. i. in JudaJerusalem met den tempel tot middelpunt (zie v. 7; vgl. XIV 13, 15; XXIV 5,6; XXXIII 10), en derhalve u niet wegvoeren in ballingschap.

4) Achter leugenwoorden voegt de Septuag. evenals de Vulgaat v. 8: «want zij zullen u volstrekt niet baten». In dat driemaal (Septuag. tweemaal) herhaalde de tempel des Heeren spreekt hun ijdele waan, dat de tempel onschendbaar zou zijn en hierom ook stad en volk zouden gespaard blijven.

e) Derhalve niet in het wonen bij en om den tempel bestond hunne onschend-

uwe wegen en uwe gezindheid ten goede, en Ik zal bij ulieden wonen in dit oord8).

4. Vertrouwt niet op leugenwoorden, als men zegt: De tempel des Heeren, de tempel des Heeren, de tempel des Heeren is het4)!

5. Want indien gij uwe wegen en uwe gezindheid ten goede richt, indien gij recht oefent tusschen den man en zijnen naaste,

6. den vreemdeling en den wees en der weduwe geen onrecht aandoet en geen onschuldig bloed vergiet in dit oord en geen vreemde goden achternaloopt, u zélven tot onheil,

7. zal Ik bij ulieden wonen in dit oord, in het land, dat Ik aan uwe vaderen gegeven heb, van eeuwen her en voor eeuwig5).

8. Zie, gij verlaat u op leugenwoorden, die u niet zullen baten.

9. Stelen, doodslaan, overspel bedrijven, valschelijk zweren, aan de Baals offeren en vreemde goden achternaloopen, die gij niet kent6);

10. en gij komt en stelt u voor mijn aangezicht in dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen7), en gij zegt: Wij zijn vrij, hoewel wij al die gruweldaden gepleegd hebben8).

baarheid, maar in het onderhouden van Gods geboden. Hebr. en Septuag. evenals in noot 3.

6) De onbepaalde wijs drukt uit, hoe gewoon die grove misdaden waren, welke men door een enkel tempelbezoek meende uit te wisschen (v. 10). De zin is: Stelen enz. dat doet gij, en (v. 10) gij komt in dien staat enz. Zie voor libare, offeren, I noot 12. Aan het einde dezer optelling voegt de Septuag. bij: «opdat het u zeiven tot onheil strekke», gelqk de Vulgaat in v. 6.

*) d. i. Dat door plechtige inwijding tot mijn bijzonder eigendom verklaard is.

*) Wij zijn vrij, d. i. aan de verdiende straf ontkomen, hoewel enz.,

Sluiten