Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pulus: et ambulate in omni via, qnam mandavi vobis, ut bene sit vobis.

24. Et non audierunt, nee inclinaverunt aurem suam: sed abierunt in voluntatibus, et in pravitate cordis sui mali: factique sunt retrorsum et non in ante,

25. A die qua egressi sunt patres eorum de terra JEgypti, usque ad diem banc. Et misi ad vos omnes servos meos prophetas per diem, consurgens diluculo, et mittens.

26. Et non audierunt me, nee inclinaverunt aurem suam: sed induraverunt cervicem suam: et pejus operati sunt, quam patres eorum. Infra XVI12.

27. Et loqueris ad eos omnia verba haec, et non audient te: et vocabis eos, et non respondebunt tibi.

28. Et dices ad eos: Haec est gens, quae non audivit vocem Domini Dei sui, nee recepit disciplinam: periit fides, et ablata est de ore eorum

29. Tonde capillum tuum, et projice, et sume in directum planctum: quia projecit Dominus, et reliquit generationem furoris sui,

") Reden gevende waarom (v. 22 want) God den louter uitwendigen eeredienst; niet telt, ontkent de proleet niet, dat de wetten betreffende de offeranden bij den uittocht uit Egypte op Sinaï zijn gegeven (zie integendeel XIV 12: XVII 26; XXXI 14; XXXIII 11, waar de wettelijke regeling en onderhouding dier wetten ondersteld wondt; vooral XXXIII 14—22, waar van een eeuwig verbond met de Levietische priesterschap sprake is); doch hij zegt met nadruk, dat de hoofdvoorwaarde van het Sinaïtisch verbond gelegen was in de gehoorzaamheid aan Gods wil; zie Exod. XIX 5, 6. De zin der Hebr. woordvoeging is: «niet zoozeer ter zake van de offers, als wel dit woord».

zijn, en gij zult Mij ten volk zijn; en wandelt op eiken weg, dien Ik n bevolen heb, opdat het u welga19).

24. En zij hoorden niet en neigden hun oor niet, maar zij gingen heen naar de lusten en in de bedorvenheid van hun boos hart; en zij keerden zich rugwaarts en niet naar voren*0),

25. van den dag af, dat hunne vaderen zijn uitgetogen uit het land Egypte, tot op dezen dag. En Ik zond tot u al mijne dienstknechten, de profeten, dagelijks, vroeg opstaande en zendende*1).

26. En zij hoorden niet naar Mij en neigden hun oor niet, maar zij verhardden hunnen nek**) en maakten het erger dan hunne vaderen.

27. En gij zult al deze woorden tot hen spreken, en zij Zullen naar u niet hooren; en gij zult hen roepen, en zij zullen u niet antwoorden.

28. En zeg tot hen: Ziehier een volk, dat niet hoort naar de stem van den Heer, zijnen God, en de tucht niet aanneemt: te loor gegaan is de trouw en weggenomen van hunnen mond*3).

29. Scheer uw hoofdhaar af en werp het weg en hef recht voor u uit een klaaglied aan**), want verworpen en verlaten heeft de Heer het geslacht zijner verbolgenheid.

Vgl. I Reg. XV 22; Osee VI 6.

20) Zie II 27. Zij keerden den rug, niet bereidvaardig het gelaat, naar God en zijne geboden.

") Zie noot 12.

") Zie Exod. XXXII noot 9. Het volg. v. 27 ontbreekt in de Septuag.

") Zie v. 13 en V 3. En weggenomen staat niet in de Septuag.

**) De dochter Sion wordt hier toegesproken, wat in het Hebr. uit den vrouwelijken vorm blijkt. Zij moet het hoofdhaar ten teeken van rouw afsnijden en, gelijk het Hebr. uitdrukt, «het sieraad van haar hoofd» wegwerpen; vgl. Mich. I 16. Recht voor u uit, Hebr. zooals III 2, 21: «op de hoogten», waar Sion gezondigd had en

Sluiten