Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Sagitta vulnerans lingua eorum, dolum locuta est: in ore suo pacem cum amico suo loquitur, et occulte ponit ei insidias. Ps. XXVII 3.

9. Numquid super his non visitabo, dicit Dominus? aut in gente hujusmodi non ulciscetur anima mea?

10. Super montes assumam fletum ac lamentum, et super speciosa deserti planctum: quoniam incensa sunt, eo quod non sit vir pertransiens: et non audierunt vocem possidentis: a volucre cceli usque ad pecora transmigraverunt et recesserunt.

11. Et dabo Jerusalem in acervos arena?, et cubilia draconum: et civitates Juda dabo in desolationem, eo quod non sit habitator.

12. Quis est vir sapiens, qui inteüigat hoe, et ad quem verbum oris Domini fiat ut annuntiet istud, quare perierit terra, et exüsta sit quasi desertum, eo quod non sit qui pertranseat?

13. Et dixit Dominus: Quia dereliquerunt legem meam, quam dedi

8. Een kwetsende pijl is hunne tong, zij spreekt bedrog. Met zijnen mond spreekt men vrede tot zijnen vriend, en in het verborgen legt men hem lagen8).

9. Zou Ik hierover geen bezoeking brengen, zegt de Heer? Of zou mijne ziel zich niet wreken aan een dergelijk volk9)?

10. Over de bergen hef ik geween en weeklacht aan en over de schoone (weiden) der woestijn treurgezang; want zij zijn verzengd, zoodat er geen man doortrekt, en men er de stem niet hoort van den bezitter10) ; van het gevogelte des hemels af tot het vee toe — zij zijn heengetrokken en weggegaan.

11. En Dx zal Jerusalem maken tot zandhoopen en tot woningen van draken; en de steden van Juda zal Ik maken tot eene woestenij, zoodat er geen bewoner is11).

12. Wie is de wijze man, die dit beseft, en wien het woord van den mond des Heeren gewordt, opdat hij dit verkondige, waarom het land te gronde gegaan en verzengd is als eene woestijn, zoodat er memand is, die er doortrekt12)?

13. En de Heer zeide: Omdat zq I mijne wet verlaten hebben, welke

tiging. Septuag.: «ten aanzien der boos- l heid van de dochter» enz., evenals VII 12.

") Kwetsende, volgens de Hebr. tekstlezing en de Septuag.: «doodelnke», volgens de Syr. en de Chald. vertaling: «scherpe». In het verborgen van zijn hart. Zie v. 3.

*) Eene herhaling van V 9, 29.

") De profeet treurt of, naar de Septuag., gebiedt anderen te weeklagen om de verwoesting van Juda's gebergte en weidevelden. De schoone (zie Joël I 19; II 22), Hebr.: «de weiden», die in Juda's woestijnen gevonden werden. In plaats van bezitter vertaalde de H. Hiëronymus hetzelfde Hebr. woord Deut. III 19 door vee en Gen. XLVI 32 door kudden; ook hier is door die stem het geblaat der kudde bedoeld. Eo quod komt in de Vuig. van Jeremias meermalen voor in de

beteekenis van zoodat, zie v. 11 en 12.

") God antwoordt, dat niet alleen het land, doch ook de steden, Jerusalem niet uitgezonderd, zullen verwoest worden; vgl. Mich. I 8, 9. Zandhoopen, anderen vertalen het Hebr.: «pumhoopen»; vgl. Mich. III12. Voor draken, Hebr. «tannim», zie Is. XIII noot 15.

") Eene andere reden tot droefheid voor den profeet is de verblindheid van zijn volk. De vraag wie beteekent (zie Osee XIV 10), dat slechts weinigen de overigens klaarblijkelijke oorzaak der rampen zullen beseffen en als uitverkoren wijzen, als door God verlichte profeten zullen zijn, tot wie het woord des Heeren rechtstreeks gewordt. Voor de verblinden, de groote meerderheid, geeft God antwoord op de vraag waarom in v. 13 en 14.

Sluiten