Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21. Quia ascendit mors per fenestras nostras, ingressa est domos nostras, disperdereparvulos deforis, juvenes de plateis.

22. Loquere: Haec dicit Dominus: Et cadet morticinum hominis quasi stercus super faciem regionis, et quasi foenum post tergum metentis, et non est qui colligat.

23. Haec dicit Dominus: Non glorietur sapiens in sapientia sua, et non glorietur fortis in fortitudine sua, et non glorietur dires in divitiis suis: I Cor. I 31; II Cor. X17.

24. Sed in hoe glorietur, qui gloriatur, scire et nosse me, quia ego sum Dominus, qui facio misericordiam, et judicium, et justitiam in terra: haec enim placent mihi, ait Dominus.

25. Ecce dies veniunt, dicit Dominus: et visitabo super omnem, qui circumcisum habet praeputium,

26. Super iEgyptum, et super Juda, et super Edom, et super filios Ammon, et super Moab, et super omnes qui attonsi sunt in comam, habitantes in deserto: quia omnes gentes habent praeputium, omnis autem domus Israël incircumcisi sunt corde.

21. Want de dood klimt door onze vensters, hij dringt binnen in onze huizen, om te verdelgen de kinderen van de pleinen, de jongelingen van de straten").

22. Spreek: Dit zegt de Heer19): En de menschenlijken zullen vallen als mest op de oppervlakte des velds en als gras achter den rug van den maaier, en er is niemand, die het opraapt20).

23. Dit zegt de Heer21): De wijze roeme niet op zijne wijsheid, en de sterke roeme niet op zijne sterkte, en de rijke roeme niet op zijnen rijkdom;

24. maar hierop roeme, wie roemen wil, dat hij Mij kent en weet, dat lk de Heer ben, die genade doe en recht en gerechtigheid op de aarde; want daarin schep Ik mijn behagen, zegt de Heer.

25. Zie, de dagen komen, zegt de Heer, en bezoeking zal lk brengen over al wie de voorhuid besneden heeft22),

26. over Egypte en over Juda en over Edom en over de zonen van Ammon en over Moab en over allen, die zich het hoofdhaar wegscheren, de bewoners der woestijn; want alle heidenen hebben de voorhuid, maar het geheele huis van Israël — onbesneden zijn zij van harte23).

1S) De dood is waarschijnlijk de pest onder de belegerden; vgl. XV 2. Zie verder VI 11 en vgl. Joel II 1. In plaats van in onze huizen heeft de Septuag. »in uw land», wat beter bij het volgende past, tenzij men aanvulle «hij komt» om te verdelgen enz.

™) Deze woorden, die eenigszins den voortgang der rede onderbreken, laat de Septuag. achterwege.

ao) Eene herhaling van VHI 2. Zie IV Reg. IX 37. Als gras, Hebr. «garven»; het punt der vergelijking is het groote aantal onbegraven lijken.

*') Dit woord van vermaning omtrent het ijdel betrouwen op menschelijke wijsheid en rijkdom (v. 23—24) en op de lichamelijke besnijdenis (v. 25—26)

werd waarschijnlijk bij eene andere gelegenheid door Jeremias uitgesproken. Het hangt niet onmiddellijk samen met het voorafgaande.

") Hebr.: «over alle besnedenen aan de voorhuid», die in het volgende vers worden opgenoemd.

**) In Egypte werd in vroegere tijden de besnijdenis algemeen en streng (volgens anderen alleen door de priesterkasten) onderhouden. Na Juda volgt het broedervolk Edom, van Abraham en Isaac afstammend en zeker nog in Jeremias' tijd besneden (later echter, in 129 v. Chr., moesten de Edomieten door Joannes Hyrcanus tot de besnijdenis gedwongen worden, Jos. Antiq. XIII 9, 1, en was zij dus in onbruik

Sluiten