Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. In similitudinem palmae fabricata sunt, et non loquentur: portata tollentur, quia incedere non valent: nolite ergo timere ea, quia nee male possunt facere, nee bene.

6. Non est similis tui Domine: magnus es tu, et magnum nomen tuum in fortitudine. Mich. VII18.

7. Quis non timebit te o rex gentium? tuum est enim decus: inter cunctos sapientes gentium, et in universis regnis eorum nullus est similis tui. Apoc. XV 4.

8. Pariter insipientes et f atui probabuntur: doctrina vanitatis eorum lignum est.

9. Argentum involutum de Tharsis affertur, et aurum de Ophaz: opus artificis, et manus serarii: hyacinthus et purpura indumentum eorum: opus artificum universa haec.

10. Dominus autem Deus verus est: ipse Deus vivens, et rex sempiternus: ab indignatione ejus commovebitur terra: et non sustinebunt gentes comminationem ejus.

11. Sic ergo dicetis eis: Dii, qui coelos et terram non fecerunt, pereant de terra, et de his, quae sub coelo sunt.

5. Naar de gelijkenis van een palmstam zijn zij vervaardigd, en spreken kunnen zij niet; zij worden opgenomen en gedragen, want gaan kunnen zij met; vreest dan niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen en ook geen goed5).

6. Geen is er aan U gelijk, o Heer; groot zijt Gij, en groot is uw naam in macht*)!

7. Wie zou U niet vreezen, o Koning der volken? Want aan U is de heerlijkheid; onder alle wijzen der volken en in al hunne koninkrijken is niemand gelijk aan U!

8. Te gader zullen zij onwijzen en dwazen blijken; de leer hunner ijdelheid — hout is het7).

9. Opgerold plaatzilver wordt uit Tharsis aangevoerd en goud uit Ophaz*); werk van den kunstenaar is het en van de hand des kopersmids; donkerblauw en purper is hun gewaad; werk van kunstenaars zijn zij geheel en al.

10. Maar de Heer is de waarachtige God, Hij is de levende God en de eeuwige Koning; voor zijne verbolgenheid beeft de aarde, en zijn dreigen kunnen de volken niet verdragen.

11. Alzoo dan zult gij tot hen zeggen: De goden, die de hemelen en de aarde niet gemaakt hebben, moeten vergaan van de aarde en van wat onder den hemel is*)!

') Een palmstam, een hooge stam zonder zijtakken, als een pilaar; Hebr.: «als een gedraaide zuil»; sommige nieuweren vertalen: «als een pilaar in een komkommerveld», een vogelverschrikker, zie Bar. VI 69. VgLjverder Is. XLIV 9. Gedragen, zie Is. XLVI 7. Geen kwaad, zie Is. XLI 23. In de Septuag. luidt v. 5a: «Men geeft ze eene plaats en zij kunnen zich met bewegen». Hierachter volgt dan onmiddellijk v. 9 en daarna de tweede helft van 5. De verzen 6, 7, 8 en 10, eene beschrijving van Gods heerlijkheid en almacht, ontbreken er geheel en al.

*) Uw naam enz., d. i. de openbaring uwer heerlijkheid in machtige daden.

') De zin is waarschijnlijk: wat hunne

ijdelheid, d. i. de nietige afgoden, aan hare vereerders bij ondervinding leert, is, dat zij niets zijn dan een stuk hout.

8) Plaatzilver om de houten beelden te bekleeden; zie Is. XL 19. Tharsis was om zijne zilvermijnen beroemd; zie Is. XXIII noot 2. Het goudland Ophaz (zie het Hebr. van Dan. X 5) is onbekend; in de Syr. en Chald. vertalingen wordt het, waarschijnlijk ten onrechte, met Ophir vereenzelvigd.

*) A Izoo zult gij tot de heidenen uwer omgeving zeggen. — Behalve het laatste woord is dit vers in den grondtekst geschreven in het Arameesch, eene taal, welke de Assyriërs en de Babyloniërs verstonden; zie IV Reg. XVIII 26. Daar het den samenhang tusschen v. 10

i

Sluiten