Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quae praecipio vobis, et eritis mihi in populum, et ego ero vobis in Deum:

5. Ut suscitem juramentum, quod juravi patribus vestris daturum me eis terram fluentem lacte, et melle, sicut est dies haec. Et respoudi, et dixi: Amen Domine.

6. Et dixit Dominus ad me: Vociferare omnia verba haec in civitatibus Juda, et foris Jerusalem, dicens: Audite verba pacti hujus, et facite illa:

7. Quia contestans contestatus sum patres vestros in die, qua eduxi eos de terra .flSgypti usque ad diem hanc: mane consurgens contestatus sum, et dixi: Audite vocem meam:

8. Et non audierunt, nee inclinaverunt aurem suam: sed abierunt unusquisque in pravitate cordis sui mali: et induxi super eos omnia verba pacti hujus, quod praecepi ut facerent, et non fecerunt.

9. Et dixit Dominus ad me: Inventa est conjuratio in viris Juda, et in habitatoribus Jerusalem.

10. Reversi sunt ad iniquitates patrum suorum priores, qui nolue-

*) Het verdrukkende Egypte onder het beeld van een ijzeren oven, naar Deut. IV 20. Zie verder Exod. XIX 5.

') Tot stand brenge, eigenlijk «oprichte», welke uitdrukking dikwerf gebezigd wordt van het vervullen eener belofte. Hetwelk overvloeit enz. volgens Exod. III 8; XII 5 enz., gelijk gij ten huidigen dage ondervindt. Door het toestemmende Amen verklaart de profeet zich bereid tot den hem (v. 2, 3) opgedragen last, die hem v. 6—8 nog nader wordt aangewezen.

•) De Septuag. vertaalt: «voorlezen»; m. a. w. Jeremias moet de bepalingen van het verbond in de steden van Juda voorlezen en op hare naleving aandringen ... buiten (zóó ook de Septuag.) Jerusalem, "Hebr.: «op de pleinen van

naar mijne stem en doet alles, wat Dx u gebied; en gij zult Mij ten volk zijn, en Ik zal u ten God zijn4),

5. opdat Ik den eed tot stand brenge, dien Dx aan uwe vaderen gezworen heb: dat Ik hun een land zou geven, hetwelk overvloeit van melk en honig, gelijk het is ten huidigen dage. En ik antwoordde en zeide: Amen, Heer6)!

6. En de Heer zeide tot mij: Roep al deze woorden uit6) in de steden van Juda en buiten Jerusalem, zeggende: Hoort de woorden van dit verbond en doet ze.

7. Want betuigend heb Dx uwe vaderen betuigd, ten dage dat Dx hen heb uitgevoerd uit het land Egypte tot op dezen dag; vroeg opstaande heb ik betuigd en gezegd: Hoort naar mijne stem7)!

8. En zij hoorden niet en neigden hun oor niet, maar gingen heen, een iegelijk in de bedorvenheid van zijn boos hart; en Ik bracht over hen al de woorden van dit verbond, dat Ik hun bevolen had te doen, en dat zij niet deden8).

9. En de Heer zeide tot mij: Er is een samenzwering bevonden onder de mannen van Juda en onder de bewoners van Jerusalem9).

10. Zij zijn teruggekeerd tot de vroegere ongerechtigheden hunner

Jerusalem».

') Want geeft reden, waarom zij nu ten minste moeten gehoorzamen, te weten om de weerspannigheid en de straf (v. 8) hunner vaderen. Betuigend, d. i. met nadruk vermanend. Zie verder VII 13.

") Eene herhaling van VII 24, 26. Al de woorden of de bedreigingen van Deut. XXVII 15 volg. De verzen 7 en 8 ontbreken in de Septuagint, uitgezonderd de laatste woorden «en zij deden het niet», wat aldaar, op v. 6 volgend, de tijdgenooten van Jeremias betreft.

*) Gods woord ondervond zulk een algemeenen en eenstemmigen tegenstand, als hadde het volk samengespannen om van God af te vallen.

Sluiten