Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Olivam uberem, pulchram, fructiferam, speciosam vocavit Dominus nomen tuum: ad vocem loquelae, grandis exarsit ignis in ea, et combusta sunt fruteta ejus.

17. Et Dominus exercituum qui plantavit te, locutus est super te malum: pro malis domus Israël et domus Juda, quaa fecerunt sibi ad irritandum me, libantes Baalim.

18. Tu autem Domine demonstrasti | mihi, et cognovi: tune ostendisti j mihi studia eorum.

19. Et ego quasi agnus mansuetus, | qui portatur ad victimam: et non i cognovi quia cogitaverunt super me consilia, dicentes: Mittamus lignum in panem ejus, et eradamus eum de terra viventium, et nomen ejus non memoretur amplius.

20. Tu autem Domine Sabaoth, i qui judicas juste, et probas renes 1

10,11) Zouden gebeden en heilig vleesch uwe boosheid van u wegnemen? Dan mocht gij blijde zijn!» Septuag. «Of zoudt gij hiermede ontkomen (aan de verdiende straffen)?»

") God noemde en maakte derhalve Israël tot een bevoorrecht volk, voortreffelijk en vruchtbaar als eenen olijfboom; zie Osee XIV noot 6; vgl. Ps. LI 10. Nu zal het als een verdorde boom aan het vuur des gerichts worden prijsgegeven. Op het geluid der stem, d. i. op het goddelijk strafbevel of op het gedruisch der aanrukkende legerscharen.

") Zie VII 18 volg.

") Niet alleen tegen Gods woord (v. 9—17), maar ook tegen het leven van den profeet was, gelijk uit het volgende blijkt, eene samenzwering, en wel in eigenlijken zin, gesmeed door zijne eigen medeburgers, de bewoners van Anathoth. Dankbaar erkent hier de profeet, dat God hem dien boozen toeleg geopenbaard had.

") Als een gedwee, d. i. tam gemaakt, lam, dat in het huis des meesters is opgevoed (vgl. II Reg. XII 3; nog heden wordt dit aangetroffen bij de Arabieren), zoo argeloos en vriendelijk

16. Eenen olijfboom, welig, schoon, vruchtdragend, liefelijk, noemde de Heer uwen naam; op het geluid der stem ontvlamde een groot vuur daarin, en zijne takken werden verbrand14).

17. En de Heer der heerscharen, die u plantte, heeft onheil tegen u uitgesproken, om de boosheden van het huis van Israël en van het huis van Juda, welke zij tegen zich gepleegd hebben om Mij te tergen, door te offeren aan de Baals16).

18. Gij échter, o Heer, hebt het mij geopenbaard, en Ik erkende het; alsdan hebt Gij mij hunnen toeleg getoond16).

19. En ik, ik was als een gedwee lam, dat ter slachting gevoerd wordt; en ik wist het niet, dat zij aanslagen tegen mij smeedden, zeggende: Laat ons hout leggen op zijn brood en hem uitroeien uit het land der levenden, en aan zijnen naam worde niet meer gedacht11)!1

20. Maar Gij, Heer der heerscharen18), die rechtvaardig oordeelt en

verkeerde de profeet onder zijne medeburgers. Als een lam, dat zonder het te weten ter slachtbank gevoerd wordt, zoo wist ik niet enz., namelijk alvorens God het mij geopenbaard had. Dezelfde vergelijking bezigde Isaias (LUI 7) van den Messias, die eveneens door zijne medeburgers werd versmaad en mishandeld (Luc. IV 22—29). Laat ons hout leggen op zijn brood: de H. Hiëronymus volgde hier de Septuag. Iets dergelijks las ook de Chald. vertaling : «werpen wij doodelijk vergif op zijne spijs» en in denzelfden zin verklaren niet weinigen het hout van de Vulgaat met vergiftig hout. Eene andere verklaring geeft de H. Ephrem van zijn Syrischen tekst: «Geven wij hem hout tot spijs», wat volgens hem beteekent: dooden wij hem met het hout, b. v. door hem aan het kruishout te nagelen. Het Hebr. heeft: «Laten wij den boom verderven met zijne spijs» (d. i. met zijne vruchten), m. a. w. dooden wij den profeet om hem met zijne profetieën uit den weg te ruimen ") Het Hebr. sabaoth, dat heerscharen beteekent, bleef onvertaald. Vgl. verder Apoc. II 23.

Sluiten