Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT *m.

HOOFDSTUK XIII.

Het geritte over de onboetvaardig en, eerst zinnebeeldig voorgesteld door den aan den Euphraat begraven en rot geworden gordel (v. 1—11) en door het spreekwoord van de gevulde kruik (v. 12—14), vervolgens rechtstreeks aan vorst en volk voorspeld (v. IS 27).

1. Haec dicit Dominus ad me: Vade, et posside tibi lumbare lineum, et pones illud super lumbos tuos, et in aquam non inferes illud.

2. Et possedi lumbare juxta verbum Domini, et posui circa lumbos meos.

3. Et factus est sermo Domini ad me secundo, dicens:

4. Tolle lumbare, quod possedisti, quod est circa lumbos tuos, et surgens vade ad Euphraten, et absconde ibi illud in foramine petraB.

5. Et abii, et abscondi illud in Euphrate, sicut praBceperat mihi Dominus.

6. Et factum est post dies plurimos, dixit Dominus ad me: Surge, vade ad Euphraten: et tolle inde lumbare, quod praecepi tibi ut absconderes illud ibi.

7. Et abii ad Euphraten, et fodi, et tuli lumbare de loco, ubi absconderam illud: et ecce computruerat lumbare, ita ut nulli usui aptum esset.

8. Et factum est verbum Domini ad me, dicens:

1. Dit zegt de Heer tot mij: Ga heen en koop u een linnen gordel en doe hem om uwe lendenen en laat hem niet in het water komen1).

2. En ik kocht den gordel naar het woord des Heeren en deed hem om mijne lendenen.

3. En het woord des Heeren geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende:

4. Neem den gordel, dien gij gekocht hebt, die om uwe lendenen

is, en maau: u op en ga heen naar den Euphraat en verberg hem aldaar in de klove eener steenrots.

5. En ik ging heen en verborg hem in den Euphraat, gelijk de Heer mij geboden had2).

6. En het geschiedde na zeer vele dagen, dat de Heer tot mij zeide: Maak u op, ga heen naar den Euphraat en haal van daar den gordel, dien Ik u geboden heb aldaar te verbergen.

7. En ik ging heen naar den Euphraat, en ik groef en nam den gordel van de plaats, waar ik hem verborgen had; en zie, de gordel was rot geworden, zoodat hij tot niets bruikbaar was.

8. En het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende:

*) Door deze zinnebeeldige handeling moet de profeet het zedenbederf en de straf openlijk, tot dieperen indruk, voorstellen. Hij moet een linnen gordel onmiddellijk op de lendenen dragen en niet afleggen, zelfs niet ter wassching, om de zinnebeeldige beteekenis in v. 11.

*) Door den «Phraat» (Hebr.) is volgens al de oude vertalingen de Euphraat in Babylonië bedoeld; vgl. Gen. II 14; Jer. LI 68. In de klove eener steenrots, welke zich in de bedding

der rivier bevond, werd de gordel geborgen en met zand of steenen belast (zie v. 7 «ik groef»), opdat hij niet zou wegspoelen. — Die groote en (v. 6, 7) herhaalde reis naar de landstreek, waar vele ballingen uit Juda zich reeds bevonden, en de langdurige afwezigheid van den profeet strekten om de zonderlinge handeling en hare verklaring (v. 8—11) meer indrukwekkend te maken.

Sluiten