Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Et dispergam eos virum a fratre suo, et patres et filios pariter, ait Dominus: non parcam, et non coneedam: neque miserebor ut non disperdam eos.

15. Audite, et auribus percipite. Nolite elevari, quia Dominus locutus est.

16. Date Domino Deo vestro gloriam antequam contenebreseat, et antequam offendant pedes vestri ad montes caliginosos: exspectabitis lucem, et ponet eam in umbram mortis, et in caliginem.

17. Quod si hoe non audieritis, in abscondito plorabit anima mea a facie superbia): plorans plorabit, et deducet oculus meus lacrymam, quia captus est grex Domini. Thren. 12.

18. Die regi, et dominatrici: Humiliamini, sedete: quoniam descendit de capite vestro corona gloria) vestra).

19. Civitates austri clausae sunt, et non est qui aperiat: translata

14. En Dx zal hen uiteendrijven, den man van zijnen broeder1), en vaders en zonen te gader, zegt de Heer; Dx zal niet sparen, en Ik zal niet verschoonen, en Dx zal Mij niet ontfermen, zoodat Dx hen niet verdelgen zou.

15. Hoort en neemt ter oore: Verheft u niet, want de Heer heeft gesproken8).

16. Geeft den Heer, uwen God, eere, alvorens het gansch duister wordt, en alvorens uwe voeten zich stooten aan de donkere bergen; gij zult wachten op licht, en Hij *aT het maken tot schaduw des doods en tot donkerheid9).

17. Bijaldien gij echter hiernaar niet hoort, zal mijne ziel in het verborgen weenen ten aanzien van den trots; weenend zal zij weenen, en mijn oog zal tranen storten, omdat de kudde des Heeren gevangen is genomen10).

18. Zeg tot den koning en tot de heerscheres: Daalt af, zit neder, want de kroon uwer heerlijkheid is van uw hoofd gevallen11)!

19. De steden van het zuiden zijn gesloten, en niemand is er, die ze!

*) Hebr.: «Ik zal hen (als aarden kruiken) stukslaan, den een tegen den ander»; zie Ps. II 9.

8) Nog eene ernstige vermaning tot bekeering (v. 15—17). — Verheft u niet, opdat uw trots niet worde heengevoerd naar den Euphraat (v. 7, 9).

9) Geeft eere door bekeering en onderwerping (zie Mal. II 2), alvorens de tijd des gerichts, door duisternis verzinnebeeld, plotseling aanbreekt. De duisternis overvalt den reiziger ia de bergen onverwachts en is daar donkerder, zoodat men er licht struikelt over de rotsen. Gij tuit wachten, va. a. w. wat alsdan uitkomst uit de rampen schijnt te beloven, zal integendeel tot vermeerdering der ellende bijdragen. De echaduw des doods beteekent de dikste duisternis; zie Is. IX noot 2.

") De profeet drukt zijne droefheid uit over het lot, dat zijn onboetvaardig volk treffen zal om zijnen trots, d. i. omdat het zijn hoofd niét buigen wil

onder het juk van Gods wet.

") De heerscheres, Hebr. ha-gebiirah, is de titel soms van de koningin (III Reg. XI19), meestal van de koninginnemoeder (III Reg. XV 18; IV Reg. X 18 Hebr.; Jer. XXIX 2), die den hoogsten rang na den koning bekleedde (III Reg. II 19). Daar zij hier gelijk met den koning genoemd en beider vernedering voorspeld wordt: de kroon is van uw (in net meervoud) hoofd gevallen, is waarschijnlijk Nohesta, de moeder van Joachin (Tv Reg. XXIV 8, 12) bedoeld, dia, omdat haar zoon bij zijne troonsbeklimming slechts achttien (volgens II Par. XXXVI 9 slechts acht) jaren oud was, aan het bestuur deelnam. Werkelijk deelde zij ook het lot van haren zoon (Jer. XXII 26; XXIX 2). Volgens deze meening is deze profetie uitgesproken tijdens Joachin's kortstondige regeering. Daalt af, vgl. Is. XLVII 1.

Sluiten