Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

est omnis Juda transmigratione perfecta.

20. Levate oculos vestros, et videte qui venitis ab aquilone: ubi est grex, qui datus est tibi, pecus inclytum tuum?

21. Quid dices cum visitaverit te? tu enim docuisti eos adversum te, et erudisti in caput tuum: numquid non dolores apprehendent te, quasi mulierem parturientem ?

22. Quod si dixeris in corde tuo: Quare venerunt mihi haec? Propter multitudinem iniquitatis tua» revelata sunt verecundiora tua, pollutae sunt plantae tuae. .

23. Si mutare potest JEthiops pellem suam, aut pardus varietates suas: et vos poteritis benefacere, cum didïceritis malum.

24. Et disseminabo eos quasi stipulam, quae vento raptatur in de- I serto.

25. Haec sors tua, parsque mensurae tuae a me, dicit Dominus, quia oblita es mei, et confisa es in mendacio. I

") De steden van het zuiden van Juda, waarheen men uit het nog niet I belegerde Sion voor den uit het noorden komenden vijand wil vluchten, zijn gesloten, d. i. door den vijand, met voorbijgaan der hoofdstad, omsingeld.

IS) In het Hebr. en de Septuag. is het woord gericht tot Jerusalem, dat in de Grieksche vertal. met name genoemd wordt. En verder: «zie de uit het noorden komenden», te weten de Chaldeën; zij hebben Jerusalem's kudde (zie v. 17), d. i. zijne inwoners, verjaagd of gevangen genomen. In de Vulgaat is het woord gericht tot de vluchtelingen, die uit het noorden des lands met achterlating van hun klein vee de vlucht hebben genomen.

M) De H. Hiër. verklaart dit: Wat zult gij zeggen, als de Heer u zal bezoeken en u zal overgeven aan de Babyloniërs, uwe vijanden, die gij tegen u zelve of tot uw hoofd hebt onderwezen, toen gij tot hunne hulp uwe toevlucht naamt en hunne afgoden

opent1*); geheel Juda is weggevoerd in volledige wegvoering.

20. Slaat uwe oogen op en ziet, gij, die van het noorden komt: Waar is de kudde, die u gegeven was, uw prachtig klein vee13)?

21. Wat zult gij zeggen, als Hij u zal bezoeken? Want gij, gij hebt hen onderwezen tegen u zelve en onderricht tot uw hoofd. Zullen niet smarten u aangrijpen als eene barende vrouw1*)?

22. En bijaldien gij zegt in uw hart: Waarom is mij dit overkomen? Om de menigte uwer ongerechtigheid is uwe schaamte ontbloot, zijn uwe voetzolen bezoedeld16).

23. Als een Moriaan zijne huid kan veranderen of een pardel zijne vlekken, zult ook gij het goede kunnen doen, terwijl gij het kwaad hebt aangeleerd16).

24. En Ik zal hen verstrooien als stoppelen, die door den wind worden opgenomen in de woestijn1*).

25. Dit aal uw lot zijn en het deel, | u toegemeten door Mij, zegt de Heer,

omdat gij Mij vergeten hebt en 1 vertrouwd hebt op leugen18).

■ volgdet? Want onder voorwendsel van I vriendschap hebben zij den weg geleerd om in uw land te komen. Hebr.: «Wat zult gij zeggen, als Hij tot hoofd over u aanstelt degenen, die gij u eigen gemaakt hebt als genooten», te weten de vroegere bondgenooten, door Jerusalem's vorsten vroeger meermalen te hulp geroepen, die echter alsdan hunne overheerschers zullen worden. Zie verder VI 24.

") In plaats van uwe schaamte heeft het Hebr. «uw sleep», de sleep van Sion's vorstinnekleed, die wordt opgeheven, zoodat hare voetzolen, beter hare hielen, zichtbaar worden, eene onteerende behandeling voor eene vorstin. Vgl. Is. XLVII noot 3.

16) De zonde is haar eene tweede natuur of eene ingewortelde gewoonte geworden.

") Hebr.: «door den wind der woestijn»; zie IV 11.

1B) Op de leugenbeloften der valsche profeten (VII 4, 8; VIII 11), op de

Sluiten