Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

26. Unde et ego nudavi femora tua contra faciem tuam, et apparuit ignominia tua,

27. Adulteria tua, et hinnitus tuus, scelus fornicationis tuas: super colles in agro vidi abominationes tuas. Vas tibi Jerusalem, non mundaberis post me: usquequo adhuc?

26. Daarom ook heb Ik uwe dijen ontbloot voor uw aangezicht19), en zichtbaar werd uwe schande.

27. Uw overspel en uw gehinnik, de misdaad uwer hoererij — op de heuvelen in het veld heb Ik uwe gruwelen gezien*0). Wee u, Jerusalem! Zult gij niet rein worden, Mij volgend ? Hoe lang nog'1) ?

CAPUT XIV.

HOOFDSTUK XJV.

De komende hongersnood (v. 1—6); Jeremias' voorbede door God nogmaals afgewezen (v. 7—12); de valsche profeten en het verleide volk met schrikkelijke straffen bedreigd (v. 13—18). Gebed van den profeet (v. 19—22).

1. Quod factum est verbum Domini ad Jeremiam de sermonibus siccitatis.

2. Luxit Judaea, et portae ejus corruerunt, et obscuratae sunt in terra, et clamor Jerusalem ascendit.

3. Majores miserunt minor es suos ad aquam: venerunt ad hauriendum, non invenerunt aquam, reportaverunt vasa sua vaeua: eonfusi sunt et afflicti, et operuerunt capita sua.

1. Wat als woord des Heeren geschiedde tot Jeremias ter zake der droogte1).

2. In rouw is Juda, en zijne poorten zijn ingestort en liggen zwart ter aarde, en het geschrei van Jerusalem stijgt op*).

3. De grooten zonden hunne minderen om water; zij kwamen om te putten, vonden geen water, droegen hunne vaten ledig terug; zij zijn te schande gemaakt en terneergeslagen en bedekten hunne hoofden8).

afgoden en op de verbonden met heidensche machten.

19) Hebr.: «Daarom ook heb Ik uw sleep (zie noot 15) opgeheven boven uw aangezicht». Vgl. Nah. III 5. Het is een profetisch verleden.

"» Zie III 2, vooral V 7, 8.

") Mij volgend, post me, is naar de Septuag. De zin is: Hoe lang nog zult gij weigeren Mij te volgen en u te reinigen van uwe zonden? Hebr.: «Zult gij niet rein worden, na hoe lang nog?»

*) Deze profetie (XIV, XV) werd vermoedelijk in het begin der regeering van Joakim uitgesproken, naar aanleiding eener langdurige droogte (v. 2—6), de voorbode van hongersnood. Quod factum est is dezelfde woordschikking als in het Hebr,, gelijk ook XLVI 1; XLVII 1; XLIX 34. De

sermonibus is de letterlijke vertaling van de Hebr. zegswijze, welke ook VII 22 (de verbo) voorkwam; zij beteekent hier: ter zake of naar aanleiding van «de droogten», Hebr. in het meervoud, dat# op de langdurigheid of de uitgebreidheid of de herhaling dier ramp wijst Vgl. Joël 117—20. Eenvoudiger ia de Septuag.: «En het woord des Heeren geschiedde tot Jeremias over de droogte».

') In rouw om den regen, die was uitgebleven, waarschijnlijk den laten regen in het voorjaar. Zijne poorten (Hebr.) «verkwijnen», te weten de daar bijeenkomende inwoners van Juda's steden, die thans aldaar zwart, d. i. in rouwgewaad, ter aarde liggen.

") Naar de wijze der treurenden; zie II Reg. XV 30. Het tweede halfvers: zij zijn te schande enz. ontbreekt in de Septuag.

Sluiten