Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Cum recordati fuerint filii eorum ararum suarum, et lucorum suorum, lignorumque frondentium in montibus excelsis,

3. Sacrificantes in agro: fortitudinem tuam, et omnes thesauros tuos in direptionem dabo, excelsa tua propter peccata in universis finibus tuis.

4. Et relinqueris sola ab hereditate tua, quam dedi tibi: et servire te faciam inimicis tuis in terra, quam ignoras: quoniam ignem succendisti in furore meo, usque in aster num ardebit.

5. Haec dicit Dominus: Maledictus homo, qui confidit in homine, et ponit carnem brachium suum, et a Domino recedit cor ejus. Is. XXX 2 et XXXI1; Infra XLVIH 7.

6. Erit enim quasi myricae in deserto, et non videbit cum venerit bonum: sed habitabit in siccitate in deserto, in terra salsuginis, et iuhabitabili. Infra XLVIH 6.

I 2. Daar hunne kinderen aan hunne altaren en aan hunne bosschen en loofrijke boomen op de hooge bergen indachtig zijn,

I 3. en in het veld offeren, zal Dx uwe kracht en al uwe schatten ter plundering geven, uwe hoogten om de zonden in al uwe landpalen2).

4. En gij zult alleen gelaten worden, buiten uw erfdeel3), dat Dx u gegeven heb; en Ik zal u uwe vijanden doen dienen in een land, dat gij niet kent; want een vuur hebt gij ontstoken in mijnen toorn, voor eeuwig zal het branden.

5. Dit zegt de Heer4): Vervloekt de mensch, die vertrouwt op den mensch en vleesch stelt tot zijnen arm6), en wiens hart afwijkt van den Heer.

6. Hij toch zal zijn gelijk tamarisken in de woestijn, en als het goede komt, zal hij het niet ontwaren; maar hij zal in dorheid wonen in de woestijn, in een ziltig en onbewoonbaar land6).

') Hunne kinderen, d. i. het tegenwoordige geslacht, toonen met de daad (door navolging van de afgoderij) indachtig te zijn aan de afgodische altaren der vaderen, aan hunne heilige bosschen, Hebr. «asjerim» (zie Mich. V noot 15, en vgl. verder Jer. II 20; VII 31); evenals de vaderen offeren zq op de bergen en ook (v. 3) in het veld. De tegenwoordige Hebr. tekst in v. 2 is duister en ui plaats van en in het veld offeren in v. 3 leest men daar in den accusatief: «mijnen berg in het veld» (te weten Sion, zie XXI 13), wat evenals uwe kracht en al uwe schatten afhangt van zal Ik ter plundering geven. Doch wat nog overig is van de oude Grieksche vertalingen stemt in v. 2 ongeveer overeen met de VUlg.; ook daarin is sprake (v. 2) van altaren en (heilige) bosschen «onder dicht geboomte en op hooge heuvelen», (v. 3) «op bergen in het veld». Dan volgt de om de zonden van de vaderen en de kinderen verdiende straf: daarom zal Ik uwe kracht, d. i. uwe rijkdommen (zie Is. 131), enz. ter plundering I

geven, benevens uwe hoogten, de plaatsen waar gij gezondigd hebt. In de Septuag. ontbreken de vier eerste verzen.

8) Hebr.: «gij zult, en wel door u (d. i. door uwe schuld), uw erfdeel moeten achterlaten»; volgens anderen naar eene gewijzigde lezing: «gij zult uwe hand van uw erfdeel moeten aftrekken», d. i. het braak laten liggen, zooals in het sabbatjaar geschiedde, Exod. XXIII 11; want het Hebr. werkwoord schijnt op deze wet te zinspelen; vgL Lev. XXVI 34 volg.; II Par. XXXVI21 met noot 15. — Zie verder Jer. V 19; XV 14. Voor eeuwig, d. ,i. voor onafzienbaren tijd; zie Is. XXXII noot 12 aan het einde.

*) De hier volgende spreuk betreft waarschijnlijk Juda's ingewortelde neiging om bij dreigende gevaren op heidensche macht in plaats van op Jehova te steunen.

*) d. i. Van den zwakken mensch hulp en steun verwacht.

6) Als tamarisken, een onvruchtbaar struikgewas, vooral in de woestijn, waar het niet door water besproeid

Sluiten