Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Benedictus vir, qui confidit in Domino, et erit Dominus fiducia ejus.

8. Et erit quasi lignum quod transplantatur super aquas, quod ad humorem mittit radices suas: et non timebit cum venerit asstus. Et erit folium ejus viride, et in tempore siccitatis non erit sollicitum, nee aliquando desinet facere fructum. Ps. I 3.

9. Pravum est cor omnium, et inscrutabile: quis cognoscet illud?

10. Ego Dominus scrutans cor, et probans renes: qui do unicuique juxta viam suam, et juxta fructum adinventionum suarum. 1 Reg. XVI 7; Ps. VII10; Apoc. II 23.

11. Perdix fovit quae non peperit: fecit divitias, et non in judicio: in dimidio dierum suorum derelinquet eas, et in novissimo suo erit insipiens.

12. Solium gloriae altitudinis a principio, locus sanctificationis nostrae:

13. Exspectatio Israël Domine: omnes, qui te derelinquunt, confundentur : recedentes a te, in terra scribentur: quoniam dereliquerunt venam aquarum viventium Dominum.

7. Gezegend de man, die vertrouwt op den Heer, en wiens toeverlaat de Heer is.

8. En hij zal zijn als een boom, die overgeplant wordt aan de wateren, die naar het vochtige zijne wortels uitschiet en niet vreest, als de hitte komt. En zijn loover blijft groen, en ten tijde van droogte is hij niet bekommerd, en nimmer houdt hij op vrucht te dragen.

9. Arglistig is het hart omtrent alles en ondoorgrondelijk; wie kan het kennen7)?

10. De, de Heer, doorgrond het hart en beproef de nieren, Ik, die een iegelijk geef naar zijnen weg en naar de vrucht zijner uitvindselen.

11. Het veldhoen bebroedt wat het niet gelegd heeft; men verzamelt rijkdommen, en niet volgens het recht; in het midden zijher dagen zal men ze verlaten, en aan zijn einde zal men een dwaas zijn8).

12. Troon der heerlijkheid, der hoogheid van den beginne, plaats onzer heiliging,

13. verwachting van Israël, Heer9)! Allen, die U verlaten, worden te schande; die van U afwijken, worden op de aarde geschreven10); want verlaten hebben zij de bron der levende wateren, den Heer.

wordt. In een ziltig en daarom volstrekt onvruchtbaar land; vel. Dent. XXIX 23.

') In dit en het volgende vers, in verband met 5—9, schijnt de profeet de opwerping te voorkomen, dat God niet weten zou, op wien de mensch vertrouwt. Is ook het hart des menschen arglistig (Hebr.) «boven alles», voor den Heer ligt het open (v. 10). Zie verder, XI 20.

8) Een voorbeeld van Gods eerlijke recbtsbedeeling (v. 100). Het veldhoen enz. is wellicht een op het volksgeloof van dien tijd steunend spreekwoord. Onverwachts zal men zijne onrechtvaardig verkregen rijkdommen moeten verlaten en er geen genot van hebben,

evenmin als het veldhoen van de vreemde kuikens, die, zoodra zij volwassen zijn, onverwachts de hen verlaten.

") De profeet wendt zich, in naam van het geloovige Israël, tot God. Eerst zijne heerlijkheid en eeuwige majesteit prijzend, roemt hij Hem troon der heerlijkheid en (Hebr.) «hoogheid van den beginne»; daarna zijne goedheid voor Israël verheffend, gedenkt hij Hem als de plaats (Hebr.) «van ons heiligdom» en de verwachting van Israël. Ho© dwaas en noodlottig is het dus dien grooten en goeden God te verlaten!

") In het stof, waar hun naam welhaast spoorloos verdwijnt. Zie verder II 13.

Sluiten