Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reges Juda: et repleverunt locum istum sanguine innocentum.

5. Et aedificaverunt excelsa Baalim ad comburendos filios suos igni in holocaustum Baalim: qua? non praecepi, nee locutus sum, nee ascenderunt in cor meum.

6. Propterea ecce dies veniunt, dicit Dominus: et non vocabitur amplius locus iste, Topheth, et Vallis filii Ennom: sed Vallis occisionis.

7. Et dissipabo consilium Juda et Jerusalem in loco isto: et subvertam eos gladio in conspectu inimicorum suorum, et in manu quaarentium animas eorum: et dabo cadavera eorum escam volatilibus cmli, et bestiis terrae.

8. Et ponam civitatem hanc in stuporem, et in sibilum: omnis, qui praeterierit per eam, obstupescet, et sibilabit super universa plaga ejus. Supra XVIII16; Infra XLIX 18 et L 13.

9. Et cibabo eos carnibus filiorum suorum, et carnibus filiarum suarum: et unusquisque carnem amici sui comedet in obsidione, et in angustia, in qua conoludent eos inimici eorum, et qui quaerunt animas eorum.

') Vervreemd of ontheiligd, zie XVI 18. Die zij niet kenden als hunne weldoeners, m. a. w. van wie zij niets goeds te wachten hadden. Met het bloed enz. door hunne kinderoffers aan den Moloch v. 5; volgens anderen wijst dit, evenals II 30, 84; VII 6; XXII 3, 17, op het bloedvergieten onder Manasses (zie IV Reg. XXI2—7,16). De Septuag. leest: «en de koningen van Juda hebben deze plaats vervuld» enz. Zie XV 4.

6) Zie VII 31, 32.

") Den raadslag verijdelen beteekent

vaderen en de koningen van Juda; en omdat zij deze plaats vervuld hebben met het bloed der onschuldigen5),

5. en zij hoogten voor de Baals gebouwd hebben om hunne kinderen met vuur te verbranden tot brandoffer voor de Baals, hetgeen Ik niet geboden noch gezegd heb en hetgeen niet in mijn hart is opgekomen.

6. Daarom zie, de dagen komen, zegt de Heer, en niet meer zal deze plaats heeten: Topheth en Dal van den zoon van Ennom, maar Dal der slachting6).

7. En Ik zal den raadslag van Juda en van Jerusalem verijdelen te dezer plaatse7); en lk zal hen met het zwaard neervellen ten aanschouwen hunner vijanden en door de hand dergenen, die hun naar het leven staan; en Dx zal hunne lijken tot spijze geven aan de vogelen des hemels en aan de wilde dieren der aarde.

8. En Ik zal deze stad maken tot ontzetting en tot gesis8); al wie daar voorbijgaat zal verstomd staan en sissen over al hare plagen.

9. En Ik zal hen spijzen met het vleesch hunner zonen en met het vleesch hunner dochters; en een ieder zal het vleesch zijns naasten eten bij de belegering en bij de benauwing, waarmede hunne vijanden hen zullen insluiten en zij, die hun naar het leven staan').

de gewaande wijsheid der oudsten (v. 1) te schande maken. Het Hebr. werkwoord wijst door zijn klank op de knik van v. 1, welke de profeet bij deze woorden wellicht uitgoot. Zie verder VII 33.

8) Tot een voorwerp van ontzetting enz. . Zie verder XVIÏÏ noot 12.

") Zoo verschrikkelijk zal de hongersnood zijn. Eene letterlijke herhaling van Deut. XXVIII 53; vgl. Lev. XXVI 29. Zie de vervulling Bar. II 3; Thren. II 20; IV 10. Vgl. IV Reg. VI 28, 29

Sluiten