Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPUT XX. HOOFDSTUK XX.

Jeremias' gevangenneming (v. 1-2); voorspelling der straf aan Phassur (v 3-6) Ontboezemingen van Jeremias over de bezwaren aan zijne roeping verbonden (v. 7—18).

iï Et audivit Phassur filius Emmer sacerdos, qui constitutus erat princeps in domo Domini, Jeremiam prophetantem sermones istos.

2. Et percussit Phassur Jeremiam prophetam, et misit eum in nervum, quod erat in porta Benjamin superiori, in domo Domini.

3. Cumque illuxisset in crastinum, eduxit Phassur Jeremiam de nervo: et dixit ad eum Jeremias: Non Phassur vocayit Dominus nomen tuum, sed pavorem undique.

4. Quia bme dicit Dominus: Ecce ego dabo te in pavorem, te et omnes amicos tuos: et corruent gladio inimicorum suorum, et oculi tui videbunt: et omnem Judam dabo in manum regis Babylonis j et traducet eos in Babylonem, et percutiet eos gladio.

5. Et dabo universam substantiam civitatis hujus, et omnem laborem ejus, omneque pretium, et cunctos thesauros regum Juda dabo in manu

1. En Phassur, de zoon van Emmer, de priester, die als overste in het huis des Heeren gesteld was hoorde Jeremias die woorden profeteeren.

2. En Phassur sloeg Jeremias, den profeet, en legde hem in den stok, die zich bevond aandeOpperBenjaminpoort in het hun, des Heeren1).

3. En des anderen daags, toen het noht werd, liet Phassur Jeremias vrij uit den stok; en Jeremias zeide tot hem: Niet Phassur noemt de Heer uwen naam, maar Schrik in het rond2).

4. Want dit zegt de Heer: Zie Ik zal u tot schrik maken, u en al uwe vrienden»); en jaj zullen neerstorten door het zwaard hunner vijanden, en uwe oogen zullen het zien; en geheel Juda zal Ik geven in de hand des konings van Babyion; en hij zal hen wegvoeren naar BabyIon en hen slaan met het zwaard.

5. En lk zal al de have dezer stad prijsgeven, en al haar gewin en alle kostbaarheden en alle schatten der koningen van Juda zal Dx prijsgeven in de hand huhner vijanden;

') Is Phassur de zoon van Emmer in eigenlijken zin, dan is de XXI 1 (vgl. XXXvTII 1) genoemde een andere; doch wellicht is Emmer slechts de naam van zijn stamhuis; zie I Par. XXIV14; vgl. I Esdr. II 37. Overste enz., d. i. hoofdman der tempelwacht (vgl. Act IV 1; V 24), was een zeer aanzienlijk ambt; zie Lil 24. Als zoodanig trad Phassur hier op (zie XXIX 26) en sloeg den profeet, d. i. liet hem, waarschijnlijk met roeden, geeselen (vgl. Deut. XXV 3). De stok (vgl. Act. XVI 24) is een houten martelblok, waarin misdadigers met de beenen (volgens sommigen ook met hals en armen) werden ingesloten; het bevond zich in de gevangenis aan

de Opper-Benjaminpoort, eene tempelpoort, waarschijnlijk in den noordelijken ringmuur van het buitenste voorhof: zie XVII noot 16. In de Septuag! is de eigennaam dier poort niet uitgedrukt 6

') Zie VI 25; XX 10. God noemt uwen naam, d. i. maakt u, zie v. 4; m. a. w. rondom door schrikbarende rampen overstelpt, zult gij een voorwerp van schrik zijn voor uwe omgeving. Volgens de Septuag. noemt God zijnen naam «metoikon», d. i. balling.

*) Hebr.: «Ik zal u tot schrik maken voor u en voor al uwe vrienden*. In de Septuag. ook hier: «Ik maak u tot balling».

VI

23

Sluiten