Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inimicorum eorum: et diripient eos, et tollent, et ducent in Babylonem.

6. Tu autem Phassur, et omnes habitatores domus tuas ibitis in captivitatem: et in Babylonem venies, et ibi morieris, ibique sepelieris tu, et omnes amici tui, quibus prophetasti mendacium.

7. Seduxisti me Domine, et seductus sum: fortior me fuisti, et invaluisti: factus sum in derisum tota die, omnes subsannant me.

8. Quia jam olim loquor, vociferans iniquitatem, et vastitatem clamito: et factus est mihi sermo Domini in opprobrium, et in derisum tota die.

9. Et dixi: Non recordabor ejus, neque loquar ultra in nomine illius: et factus est in corde meo quasi ignis exsestuans, claususque in ossibus meis: et defeci, ferre non sustinens.

4) Phassur was derhalve een dier valsche profeten, die door leugenbeloften het volk bedrogen; zie VI 14; XIV 13. Hieruit laat zich zijne verbittering tegen Jeremias (v. 1, 2; vgl. XIX 14, 15) te beter verklaren. — Waarschijnlijk werd Phassur met koning Jechonias in ballingschap gezonden (vgl. XXIX 2; IV Reg. XXIV 14 volg.); althans onder Sedecias bekleedde Sophonias zijne bediening; zie XXIX 25, 26.

') Die mishandeling had Jeremias diep getroffen; zwaarder dan ooit (zie XV 10, 15—18) drukte op hem de last zijner bediening, welke hem bij het volk gehaat maakte. Daarom spreekt hq tot God gemeenzaam als tot zijnen vriend, doch met zekere kleinmoedigheid: Gij hebt mij bedrogen, d. i. uwe belofte van I 8, 18 volg. niet gehouden ; Hebr.: «Gij hebt mij overreed», d. i. de door mij I 6 ingebrachte bezwaren overwonnen door uwe beloften van krachtdadigen bijstand en daardoor heb ik (Hebr.) «mij laten overreden» en die zware bediening op mij genomen; zie XV 16. Door uwe machtige inwerking op mijnen wil waart Gij mij te sterk, zoodat ik, hoe ongaarne ook,

en zij zullen hen plunderen en nemen en naar Babyion voeren.

6. En gij, Phassur, en al de bewoners van uw huis, gijlieden zult in gevangenschap gaan; en gij zult in Babyion komen en aldaar sterven en aldaar begraven worden, gij en al uwe vrienden, aan wie gij Togen geprofeteerd hebt*).

7. Gij hebt mij bedrogen, o Heer, en ik heb mij laten bedriegen; Gij waart mij te sterk en hebt overmocht; ik ben tot een spot geworden den ganschen dag, allen beschimpen mij5)..

8. Want reeds lang spreek ik, en schreeuw ik onrecht uit, en roep ik verwoesting6); en het woord des Heeren is mij geworden tot schimp en tot spot den ganschen dag.

9. En ik zeide: Ik zal Hem niet gedenken en niet meer spreken in zijnen naam! En het werd mij in mijn hart als een blakend vuur, dat binnen mijn gebeente was besloten; en ik bezweek, onmachtig als ik was het te verdragen7).

niet kon weigeren om uwe strafgerichten aan te kondigen; hierdoor echter ben ik tot een voorwerp van spot geworden.

") M. a. w. verhef ik mijne stem tegen allerlei onrecht en voorspel ik luide de komende verwoesting. Hebr.: «Want zoo dikwerf ik spreek, moet ik schreeuwen; onrecht en gewelddadigheid! moet ik roepen». M. a. w. altijd en overal moet ik mijne verontwaardiging uiten en tegen allerlei onrecht en verdrukking mijne stem verheffen; doch het is vergeefs, men spot er mede. Zie verder VI 10.

') Ik nam mij voor God niet meer te gedenken, d. i. te vermelden, otniet meer te spreken als zijn profeet Doch Gods woord was als een vuur, dat binnen mijn gebeente, d. i. in mijn binnenste, blaakte en eenen uitweg zocht naar buiten. Zoo werd Jeremias als het ware tegen wil en dank door Gods machtige inwerking gedwongen om voortdurend allerlei onheil te voorspellen. Vergeefs weerstreefde zijn natuurlijken weerzin Gods oppermachtigen wil; immer bezweek hij en gegehoorzaamde vrijwillig.

Sluiten