Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Audivi enim contumelias multorum, et terrorem in circuitu: Persequimini, et persequamur eum: ab omnibus viris, qui erant pacifici mei, et oustodientes latus meum: si quo modo deeipiatur, et praevaleamus adversus eum, et consequamur ultionem ex eo.

11. Dominus autem mecum est quasi bellator fortis: idcirco qui persequuntur me, cadent, et infirmi erunt: confundentur vehementer, quia non intellexerunt opprobrium sempiternum, quod nunquam delebitur. Infra XXIII 40.

12. Et tu Domine exercituum probator justi, qui vides renes et cor: videam quaeso ultionem tuam ex eis: tibi enim revelavi causam meam. Supra XI 20 et XVII10.

13. Cantate Domino, laudate Dominum: quia liberavit animam pauperis de manu malorum.

14. Maledicta dies, in qua natus sum: dies, in qua peperit me mater mea, non sit benedicta. Job. III3.

15. Maledictus vir, qui annuntiavit patri meo, dicens: Natus est tibi puer masculus: et quasi gaudio leetificavit eum

•) Want geeft reden, niet van het onmiddellijk voorafgaande, maar van v. 86. De volgende woorden (ik hoorde enz.) zijn ontleend aan Ps. XXX 14. Septuag.: «ik hoorde de lasteringen van velen, die rondom samenschoolden».

") Vul aan uit het begin van dit vers: «ik hoorde lasteringen». Hebr.: «Klaagt aan, en laten wij hem aanklagen! Elk man, mijn vredegenoot (d. i. met mij gemeenzaam), legt mij lagen aan mijne zijde».

To) Volgens de belofte van I 8, 19, tegen machtige vijanden; zie XV 20.21.

") De eeuwige of onuitwischbare schande, die op hen zal neerkomen bij den val der stad en den ondergang van het rijk. Hebr.: «Zfl zullen te schande worden want zij deden

10. Want8) ik hoorde lasteringen van velen en schrik in het rond: Vervolgt, en vervolgen wij hem! — van alle mannen*), die mijne vredegenooten waren en aan mijne zijde acht gaven: Wellicht laat hij won verschalken, en zullen wij hem overweldigen, en kunnen wij wraak op hem nemen!

11. Doch de Heer is met mij als een machtig strijder10); daarom zullen mijne vervolgers vallen en

I machteloos zijn; zij zullen buitenmate te schande worden, omdat zij geen acht hebben gegeven op de eeuwige schande, die nimmer uitgewischt zal worden11).

12. En Gij, Heer der heerscharen, die den rechtvaardige beproeft, die de nieren en het hart ziet, laat mij, bid ik U, uwe wraak aan hen zien; want voor U heb ik mijne zaak blootgelegd1*).

13. Zingt den Heer, looft den Heer, want Hij heeft de ziel van den arme verlost uit de hand der boozen18)!

14. Vervloekt zij de dag, waarop ik geboren werd; de dag, waarop mijne moeder mij baarde, zij niet gezegend1*)!

15. Vervloekt zij de man, die mijnen vader boodschapte en zeide: U is een mannelijk kind geboren, en hem als met vreugde verbliid heeft!

niet wijs (immers dwaas was het aan de voorspelde jammeren te willen ontkomen, door den voorspeller dier rampen om te brengen); een eeuwige smaad (zal hen treffen), die niet vergeten zal worden». Vgl. XVH 18.

") Zie XI 20; XVII 10.

1S) Eene uitdrukking van vertrouwen op God, den beschermer en redder van den arme, d. i. van den verdrukten, weerloozen vrome; zie Ps. XXX 8; XXXIV 9, 10 enz.

") Eene bittere j ammerklacht in den trant van Job. III S volg.; niet onmiddellijk na de voorafgaande lofprijzing, maar bij een of andere zware verdrukking ontsnapte zij aan zijn geprangd hart; vgl. XV 10.

Sluiten