Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Et dixit Jeremias ad eos: Sic dicetis Sedeciae:

4. Haec dicit Dominus Deus Israël: Ecce ego convertam vasa belli, qua? in manibus vestris sunt, et quibus vos pugnatis adversum regem Babylonis, et Chaldaeos, qui obsident vos in circuitu murorum: et congregabo ea in medio civitatis hujus.

5. Et debellabo ego vos in manu extenta, et in braohio forti, et in furore, et in indignatione, et in ira grandi.

6. Et percutiam habitatores civitatis hujus, homines et bestiae pestilentia magna morientur.

7. Et post haec ait Dominus: dabo Sedeciam regem Juda, et servos ejus, et populum ejus, et qui derelicti sunt in civitate hac a peste et gladio, et fame, in manu Nabuchodonosor regis Babylonis, et in manu inimicorum eorum, et in manu quaerentium animam eorum, et percutiet eos in ore gladii, et non flectetur, neque pareet, ilee miserebitur.

8. Et ad populum hunc dices: Haec dicit Dominus: Ecce ego do coram vobis viam vitae, et viam mortis.

9. Qui habitaverit in urbe hac,

3. En Jeremias zeide tot hen: Zoo zult gij tot Sedecias zeggen:

4. Dit zegt de Heer, de God van Israël: Zie, Dx zal het krijgstuig doen terugkeeren, dat in uwe handen is, en waarmede gij strijd voert tegen den koning van Babyion en de Chaldeën, die u benauwen in den omtrek der muren; en Dx zal het verzamelen binnen deze stad4).

5. En Dx, Dx zal u bestrijden met uitgestrekte hand en met sterken arm en in toorn en in verbolgenheid en in hevige gramschap.

6. En De zal de inwoners dezer stad slaan; menschen en vee zullen door een zware pest omkomen.

7. En daarna, zegt de Heer, zal Dx Sedecias, den koning van Juda, en zijne dienaren en zijn volk en hen8), die in deze stad door de pest en door het zwaard en door den honger zijn overgelaten, in de hand geven van Nabuchodonosor, den koning van Babyion, en in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen, die hun naar het leven staan; en hij zal hen slaan met de scherpte des zwaards; en hij zal zich niet laten vermurwen noch sparen noch zich ontfermen.

8. En tot dit volk zult gij zeggen: Dit zegt de Heer: Zie, Ik stel voor uwe oogen den weg des levens en den weg des doods.

9. Wie in deze stad blijft, zal ster-

XLH 2. Nabuchodonosor is de vermaarde Chaldeeuwsohe veroveraar, die in 605 zijnen vader Nabopolassar was opgevolgd. Hij heet hier v. 7, XXII 25, en in het Boek Ezechiël doorgaans, in het Hebr. Neboekadrezar, welke lezing beter dan de elders voorkomende Neboekadnezar overeenkomt met de Babylonische opschriften, waarin hij Naboe-koedoerri-oessoer heet (d. i. Nebo — de Babylonische hoofdgod, zie Is. XLVI 1 — bescherme den troon). In de Septuagint wordt die naam niet alleen in v. 2 en 7, maar doorgaans weggelaten. Hij voerde toen strijd tegen Juda, omdat Sedecias in het 9*

jaar zijner regeering (589) tegen hem was opgestaan. Jerusalem was nog niet door zijne troepen ingesloten, zie v. 4; Juda streed nog buiten, in de nabijheid der stad. Naar al zijne wonderdaden wijst vooral op de verlossing van Jerusalem onder Ezechias; zie Is XXXVII 36.

*) De zin is duidelijk: Weldra zult gij u met uwe krijgers en wapenen moeten terugtrekken binnen de stad, welke dan zal worden ingesloten (v. 5, 6).

•) En met verklarende beteekenis, te weten hen. De Septuagint laat het voegwoord weg.

Sluiten