Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

morietur gladio, et fame, et peste: j qui autem egressus fuerit, et transfugerit ad Chaldaeos, qui obsident vos, vivet, et erit ei anima sua, quasi spolium. Infra XXXVIII 2.

10. Posui enim faciem meam super civitatem hanc in malum, et non in bonum, ait Dominus: in manu regis Babylonis dabitur, et exuret eam igni.

11. Et domui regis Juda: Audite verbum Domini,

12. Domus David, haec dicit Dominus: Judicate mane judicium, et eruite vi oppressum de manu calumniantis: ne forte egrediatur ut ignis indignatio mea, et succendatur, et non sit qui exstinguat propter malitiam studiorum vestrorum. Infra XXII 3.

13. Ecce ego ad te habitatricem vallis solidae atque campestris, ait Dominus: qui dicitis: Quis percutiet nos? et quis ingredietur domos nostras?

ven door het zwaard en door den honger en door de pest; maar wie uittrekt en overvlucht tot de Chaldeën, die u benauwen, zal leven, en zijne ziel zal hem zijn als een buit").

10. Want Dx heb mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade, en niet ten goede7), zegt de Heer; in de hand van den koning van Babyion zal zij worden gegeven, en hij zal haar verbranden met vuur.

11. En tot het huis des konings van Juda8): Hoort het woord des Heeren,

12. Huis van David! Dit zegt de Heer: Beslecht in den morgen het recht en redt den gewelddadig onderdrukte uit de hand des geweldenaars ; opdat wellicht mijne verbolgenheid niet uitbreke als een vuur en brande, en er niemand zij, die blusschen kan, wegens de boosheid van uw streven9).

13. Zie, Ik tegen u, bewoonster van het sterke en vlakke dal, zegt de Heer! Gij, die zegt: Wie zal ons slaan? En wie zal komen binnen onze huizen10)?

*) Verdediging kon niet baten, doch was vermetel en in strijd met Gods wil; alleen door vrijwillige onderwerping aan de Chaldeën konden zij hun leven redden. Den raad, dien de profeet hier in plechtige, aan Deut XI 26 ontleende woorden tot het volk richtte (v. 8), gaf hij later opnieuw aan Sedecias en de priesters en het volk (zie XXVII 11 volg.) en herhaalde hij nogmaals tijdens het beleg; zie XXXVIII 2 volg., 17. — Zijne ziel zal hem zijn als een buit, d. i. hij zal zijn leven uit 's vijands handen, echter als een met groote moeite ontwrongen buit, redden. — Dat niet weinigen den raad van den profeet volgden, blijkt uit XXXVIH 19; XXXIX 9; Lil 15.

*) d. i. Ik heb krachtens een goddelijk raadsbesluit vastgesteld, dat onheil over deze stad komen zal. Vgl. XXIV 6; XLIV 11.

■) Vul aan: «zeg» tot het huis, d. i. tot degenen, in wier handen het staats¬

bestuur en de rechtsbedeeling is. Septuag.: «O huis van den koning van Juda: Hoort» enz. De hier volgende vermaning, welke onmiddellijk vóór of tijdens het beleg te laat zou zijn gekomen, werd vóór dien tijd, vermoedelijk onder koning Joakim, uitgesproken; zie ook v. 13, waar men van Jerusalem spreekt als van eene onneembare vesting.

B) In den morgen, of, zooals anderen vertalen, eiken morgen; de rechtzaken werden bij de Israëlieten reeds vroeg in den morgen behandeld. Opdat enz., eene herhaling van IV 4. De laatste woorden wegens de boosheid enz. laat de Septuag. hier beter weg.

10) Het sterke en vlakke dal is het door hooge bergen omgeven en versterkte Jerusalem (vgl. Ps. CXXTV 2; Is. XXII 1); het Hebr. vertaalt men: «bewoonster van het dal, van de rota der vlakte», want de sterke burcht van Sion verhief zich als een rots in de

Sluiten