Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Quae sedes in Libano, et nidificas in cedris, quomodo congémuisti cum venissent tibi dolores, quasi dolores parturientis ?

24. Vivo ego, dicit Dominus: quia si fuerit Jechonias filius Joakim regis Juda, annulus in manu dextera mea, inde evellam eum.

25. Et dabo te in manu quaerentium animam tuam, et in manu quorum tu formidas faciem, et in manu Nabuchodonosor regis Babylonis, et in manu Chaldaeorum.

26. Et mittam te, et matrem tuam, quae genuit te, in terram alienam, in qua nati non estis, ibique moriemini:

27. Et in terram, ad quam ipsi levant animam suam ut re ver tantur illuc: non revertentur.

28. Numquid vas fictile atque contritum vir iste Jechonias? numquid vas absque omni voluptate ? quare abjecti sunt ipse et semen ejus, et projecti in terram, quam ignoraverunt?

29. Terra, terra, terra, audi sermonem Domini.

30. Haec dicit Dominus: Scribe

23. Gij, die op den Libanon zetelt en in de ceders u nestelt, hoe kermdet gij, toen weeën over u kwamen als de weeën eener barende21)!

24. Zoo waar Ik leef, zegt de Heer, al ware Jechonias, de zoon van Joakim, den koning van Juda, een ring aan mijne rechterhand, Dx zal hem daar afrukken2').

25. En Dx zal u geven in de hand dergenen, die u naar het leven staan, en in de hand dergenen, voor wier aangezicht gij siddert, en in de hand van Nabuchodonosor, den koning van Babyion, en in de hand der Chaldeën.

26. En Dx zal u en uwe moeder, die u gebaard heeft, naar een vreemd land zenden, waarin gij niet geboren zijt, en aldaar zult gijlieden sterven.

27. En naar het land, waarheen zij hun zielsverlangen richten om derwaarts terug te keeren, zullen zij niet terugkeeren23).

28. Is dan die man, Jechonias, een aarden en verbrijzeld vat? Is hij een vat, waaraan niemand eenig behagen heeft? Waarom zijn zij verworpen, hij en zijn zaad, en weggeworpen in een land, dat zij niet kenden2*)?

29. Land, land, land, hoor naar het woord des Heeren!

30. Dit zegt de Heer: Schrijf dien

(Osee XII 1), d. i. de ijdelheid (te weten afgoderij, verbintenissen met heidenen) nastreven, zal de wind (zie IV 11 volg.) ter weide heenvoeren. Het is ironisch gezegd en beteekent: in de ballingschap verstrooien. Om al uwe boosheid, Septuag.: «om al uwe minnaars».

") Op den Libanon, d. i. in paleizen uit ceders van den Libanon gebouwd. Zie verder VI 24; XIII 21. Bedoeld zijn de angsten en smarten der belegering, op profetische wijze in het verleden gesteld.

**) Jechonias, Hebr. hier, v. 28 en XXXVII 1, «Konjahoe» geheeten, eene verkorting of een schrijffout voor Jekonjahoe (XXIV 1), was wellicht de

naam van Joachin vóór zijne troonsbestijging; zie noot 9. Hij was om zijne waardigheid, als koning op den troon van David, in Gods oog als een zegelring, een kostbaar kleinood (zie Agg. II noot 21) aan Jehova's hand; maar om zijne zonden zal hij verworpen worden. Dit bezweert God om zijn raadsbesluit krachtiger te bevestigen.

,8) Zie de vervulling IV Reg. XXIV 12, 15. Vgl. Jer. LH 31—34 over de verdere lotgevallen van dezen koning.

") Een aarden, Hebr. : «een verachtelijk», vat. Zie XIX 11. Het zijn vragen van verwondering over den diepen val, dien de profeet, reeds in het verleden ziet.

Sluiten