Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. Haec dicetis unusquisque ad proximum, et ad fratrem suum: Quid respondit Dominus? et quid locutus est Dominus?

36. Et onus Domini ultra non memorabitur: quia onus erit unicuique sermo suus: et pervertistis verba Dei viventis Domini exercituum Dei nostri.

37. Haec dices ad propbetam: Quid respondit tibi Dominus? et quid locutus est Dominus?

38. Si autem onus Domini dixeritis: propter hoe haec dicit Dominus: Quia dixistis sermonem istum: Onus Domini: et misi ad vos, dicens: Nolite dicere: Onus Domini:

39. Propterea ecce ego tollam vos portans, et derelinquam vos, et civitatem, quam dedi vobis, et patribus vestris a facie mea.

40. Et dabo vos in opprobrium sempiternum, et in ignominiam aeternam, quae nunquam oblivione delebitur. Supra XX 11.

**) In plaats van die door misduiding dubbelzinnig geworden vraag (v. 83 «wat is de last des Heeren?»), zal men voortaan de eenvoudige en ondubbelzinnige vraag stellen: Wat... geantwoord op uwe vraag? En wat... gesproken uit eigen beweging?

u) Tot last, d. i. tot een zware straf, zal voor ieder zijn woord zijn, te weten het woord «massa», dat hij Spottend in den kwaden zin, hoewel schijnbaar vol eerbied, gebruikt. En (met redengevenden zin, want) verdraaid hebt gij de woorden van God,

35. Alzoo zult gij zeggen, ieder tot zijnen genoot en tot zijnen broeder: Wat heeft de Heer geantwoord? En wat heeft de Heer gesproken3*)?

36. En van last des Heeren zal men niet langer gewagen, want tot last zal voor ieder zijn woord zijn; en verdraaid hebt gij de woorden van den levenden God, den Heer der heerscharen, onzen God33).

37. Alzoo zult gij tot den profeet zeggen: Wat heeft de Heer u geantwoord? En wat heeft de Heer gesproken?

38. Maar als gij zegt: Last des Heeren, deswege zegt de Heer alzoo: Omdat gij dit woord: Last des Heeren, gezegd hebt, en Ik tot u gezonden heb, zeggende: Zegt niet: Last der Heeren,

39. daarom, zie, lk zal u wegdragen, en ulieden en de stad, die Dx aan u en aan uwe vaderen gegeven heb, zal Dx achterlaten*4) uit mijn aangezicht weg.

40. En Ik zal n prijsgeven aan altijddurenden smaad en aan eeuwige schande, die nimmer door vergetelheid zal worden uitgewischt35).

door daaraan (inzonderheid aan het woord «massa») een hatelijken zin te geven. Hoe zwaar deze zonde is, blijkt uit den vollen titel van God aan net einde van het vers. In de Septuag. ontbreekt dit tweede halfvers. — Om de verderfelijke gevolgen dier misduiding — de verachting van Gods woord — herhaalt de profeet in v. 37—40 het verbod en verklaart hij nader de aangekondigde straf.

M) Als een last, dien men moede is te dragen; zie v. 33.

») Zie XX 11.

Sluiten