Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prophetas, et omnis populus Jeremiam loquentem verba nasein domo Domini.

8. Cumque complesset Jeremias loquens» omnia, quas prasceperat ei Dominus ut loqueretur ad universum populum, apprehenderunt eum sacerdotes, et prophetas, et omnis populus, dicens: Morte moriatur.

9. Quare prophetavit in nomine Domini, dicens: Sicut Silo erit domus hasc: et urbs ista desolabitur, eo quod non sit habitator? Et congregatus est omnis populus adversus Jeremiam in domo Domini.

10. Et audierunt principes Juda verba hasc: et ascenderunt de domo regis in domum Domini, et sederunt in introitu portas domus Domini novas.

11. Et locuti sunt sacerdotes et propheta ad principes, et ad omnem populum, dicentes: Judicium mortis est viro huic: quia prophetavit adversus civitatem istam, sicut audistis auribus vestris.

12. Et ait Jeremias ad omnes principes, et ad universum populum, dicens: Dominus misit me ut prophetarem ad domum istam, et ad

[ en al het volk hoorden Jeremias deze woorden spreken in het huis des Heeren.

8. En toen Jeremias geëindigd had met alles te spreken, wat de Heer hem geboden had te spreken tot het gansche volk, grepen hem de priesters en de profeten en al het volk, zeggende: Den dood moet hq sterven5)!

9. Waarom heeft hij in den naam des Heeren geprofeteerd, zeggende: Gelijk Silo zal dit huis worden, en deze stad zal worden ontvolkt, zoodat er geen bewoner is ? En al het volk schoolde samen tegen Jeremias m het huis des Heeren.

10. En de vorsten van Juda hoorden deze woorden; en zij gingen van het huis des konings opwaarts naar het huis des Heeren en zetten zich neder aan den ingang der nieuwe poort van het huis des Heeren6).

11. En de priesters en de profeten spraken tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Deze man is des doods schuldig, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk gijlieden met uwe ooren gehoord hebt7).

12. En Jeremias sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: De Heer heeft mij gezonden om aangaande dit huis en aangaande

dezen waren priesters; zie XX 16. Zn vooral waren verbitterd, omdat Jeremias' profetie in v. 6 lijnrecht in strijd was met hetgeen -zij over de onschendbaarheid van stad en tempel leerden: VW....YII 4, 8.

*) De uitdrukking geëindigd had met alles te spreken enz. geeft te,kennen, dat in v. 4—6 slechts de hoofdzakelijke inhoud zijner prediking is weergegeven. Jeremias was in hun oog des doods schuldig als heiligschenner en valsche profeet; vgl. Deut. XVHI 20. Ook het wufte volk was aanvankelijk tegen hem, doch koos weldra zijne partij; zie v. 11, 16.

c) De vorsten zijn degenen, die XVII

20 «koningen» heeten en XXI 11 volg. als «huis des konings» of «huis van David» toegesproken en tot rechtvaardige rechtsbedeeling vermaand worden. Zij hoosden deze woorden, d. i. deze dingen of wat er gebeurd was (v. 9) Opivaarts, zie XXII noot vti Zij zetten zich neder ter vierschaar aan de nieuwe paart, die naar het binnenste'voorhof der priesters voerde (zie XXXVI10); zij was waarschijnlijk nog onder Joatham gebouwd (vgl. IV Reg. XV 3ö).

') Zij beroepen zich op het daar aanwezige volk, dat getuigen kon hetgeen Jeremias gezegd had. Zoo was dus het volk alreeds geen beschuldiger; zie daarentegen v. 7 en 9.

Sluiten