Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbum Domini in eis: occurrant Domino exercituum, ut non veniant vasa, quas derelicta fuerant in domo Domini, et in domo regis Juda, et in Jerusalem, in Babylonem.

19. Quia hasc dicit Dominus exercituum ad columnas, et ad mare, et ad bases, et ad reliqua vasorum, quas remanserunt in civitate hac: IV Reg. XXV 18.

20. Quas non tulit Nabuchodonosor rex Babylonis, cum transferret Jechoniam filium Joakim regem Juda de Jerusalem in Babylonem, et omnes optimates Juda et Jerusalem.

21. Quia hasc dicit Dominus exercituum Deus Israël ad vasa, quas derelicta sunt in domo Domini, et in domo regis Juda et Jerusalem:

22. In Babylonem transferentur, et ibi erunt usque ad diem visitationis suas, dicit Dominus: et af f erri faciam ea, et restitui in loco isto.

het woord des Heeren in hen is, dat zij dan verschijnen voor den Heer der heerscharen14), opdat de vaten, die overgebleven zijn in het huis des Heeren en in het huis des konings van Juda en in Jerusalem, niet komen naar Babyion.

19. Want dit zegt de Heer der heerscharen aangaande de zuilen en aangaande de zee en aangaande de onderstellen en aangaande de overige vaten, die achtergebleven zijn in deze stad15),

20. die Nabuchodonosor, de koning van Babyion, niet heeft medegenomen, toen hij Jechonias, den zoon van «Joakim, den koning van Juda, uit Jerusalem naar Babyion wegvoerde met al de aanzienlijken van Juda en Jerusalem.

21. Want dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël, aangaande de vaten, die overgebleven zijn in het huis des Heeren en in het huis des konings van Juda en Jerusalem:

22. Naar Babyion zullen zij worden heengevoerd16), en aldaar zullen zij zijn tot den dag hunner bezoeking17), zegt de Heer; en Ik zal ze herwaarts doen brengen en wederom stellen in deze plaats.

CAPUT xxvin. HOOFDSTUK xxvin.

De valsche profeet Hananiae (v. 1—11); antwoord van Jeremias (v. 12—17).

1. Et factum est in anno illo, in principio regni Sedecias regis Juda, in anno quarto, in mense quinto, dixit ad me Hananias filius Azur propheta de Gabaon, in domo Do-

1. En het geschiedde in datzelfde jaar, in het begin der regeering van Sedecias, den koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananias, de zoon van Azur, de profeet van Gabaon, tot

") Want het was de plicht van den profeet, voor het volk als middelaar bij God op te treden (vgl. Ez. XIII 5). Zij mogen dan krachtens hun ambt, dat zij voorwenden, de verdere rampen afweren.

**J Zie III Reg. VII 15—30.

l*) Zie de vervulling IV Reg. XXV

1T) In «ie gunstige beteekenis blijkens hetgeen volgt. Zie I Esdr. I 7; VI 5; VII 19. De vier laatste verzen zijn in de Septuag. veel beknopter.

Sluiten