Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cituum Deus Israël: Jugum f erreum i posui super collum cunctarum gentium istarum, ut serviant Nabuchodonosor regi Babylonis, et servient ei: insuper et bestias terras dedi ei.

15. Et dixit Jeremias propheta ad Hananiam prophetam: Audi Hanania: non misit te Dominus, et tu confidere fecisti populum istum in mendacio.

16. Idcirco hasc dicit Dominus: Ecce ego mittam te a facie terras: hoe anno morieris: adversum enim Dominum locutus es.

17. Et mortuus est Hananias propheta in anno illo, mense septimo.

I heerscharen, de God van Israël: Een ijzeren juk heb Ik op den hals van al die volken gelegd, opdat zij Nabuchodonosor, den koning van Babyion, dienen; en zij zullen hem dienen; bovendien ook de wilde dieren der aarde heb Dx hem gegeven12).

15. En de profeet Jeremias zeide tot den profeet Hananias: Hoor, Hananias, de Heer heeft u niet gezonden, en gij, gij hebt dit volk vertrouwen doen stellen in leugen!

16. Daarom zegt dit de Heer: Zie, Dx zal u wegzenden van het aanschijn der aarde: dit jaar zult gij sterven; want tegen den Heer hebt gij gesproken18).

17. En de profeet Hananias stierf in datzelfde jaar, in de zevende maand14).

CAPUT XXIX. HOOFDSTUK XXIX.

Twee brieven van Jeremias aan de ballingen in Babyion: in den eersten (v. 1—28) vermaant hij hen te berusten in den wil van Ood en zich voor zeventig jaren aldaar te vestigen (v. 1—14), voorspelt hij het treurig lot der in Judff, achtergeblevenen fv. 15—19) en bestraft hij twee valsche profeten (v. 20—23). De tweede brief (v. 24—32) is gericht tegen zekeren Semeias, die van Babyion uit den profeet had aangeklaagd.

1. Et hasc sunt verba libri, quem misit Jeremias propheta de Jerusalem ad reliquias seniorum transmigrationis, et ad sacerdotes, et ad prophetas, et ad omnem populum, quem traduxerat Nabuchodonosor de Jerusalem in Babylonem:

") Al die volken, in XXV 9 aangeduid. Zie verder XXVII 6. De laatste woorden en... dienen enz. staan niet in de Septuag.

") Ik za{ u, die voorgeeft door Hij te zijn gezonden, inderdaad zenden! Sterven naar het vonnis van Deut. XIII 1—51 XVHI 20. Hebr.: «want afval hebt gij gepredikt tegen den Heer»; de Septuag. heeft deze woorden niet.

") In de tweede maand na zijne leugenprofetie, zie v. 1.

1. En dit zijn de woorden van den brief1), dien Jeremias, de profeet, uit Jerusalem zond aan de overblijfselen van de oudsten der wegvoering en aan de priesters en aan de profeten en aan al het volk, dat Nabuchodonosor van Jerusalem had I weggevoerd naar Babyion2) —

') Eigenlijk: «van het boek», doch het Hebr. «sepher» beteekent elk geschrift, hier eenen brief.

') De oudsten zijn de overheidspersonen (zie XXVI 17); want ook in de ballingschap had Israël zijn eigen rechters en bestuurders; zie Dan. XIII 5. Hunne overblijfselen (de Septuag. — hoofdst. XXXVI — heeft dit niet) zijn degenen, die nog in leven waren; want sommigen waren op de heenreis naar Babel, anderen in de ballingschap ge-

Sluiten