Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. Et erit in die illa, ait Dominus exercituum: conteram jugum ejus de collo tuo, et vincula ejus dirumpam, et non dominabuntur ei amplius alieni:

9. Sed servient Domino Deo suo, et David regi suo, quem suscitabo eis.

10. Tu ergo ne timeas serve meus Jacob, ait Dominus, neque paveas Israël: quia ecce ego salvabo te de terra longinqua, et semen tuum de terra captivitatis eorum: et revertetur Jacob, et quiescet, et cunctis affluet bonis, et non erit quem formidet: Is. XLIII 1 et XLIV 2: Luc. I 70.

11. Quoniam tecum ego sum, ait Dominus, ut salvem te: faciam

enim COnsummationem in nmt»*im

gentibus, in quibus dispersi te: te autem non faciam in consummationem: sed castigabo te in judicio, ut non videaris tibi innoxius.

12. Quia hasc dicit Dominus: lhsanabilis fractura tua, pessima plaga tua.

13. Non est qui judicet judicium tuum ad alligandum: curationum utilitas non est tibi.

naar v. 8 de dag des gerichts over Babel, die ook voor het aldaar in ballingschap zijnde Jacob een tijd van verdrukking zijn zal; maar door de weeën des gerichts zal de verlossing geschieden.

") Zijn juk is het door de Chaldeën aan Jacob opgelegde iuk. \e\ XXVII 2 volg.; XXVIII 14. S

") Deze David is de Messias, de aan David beloofde zoon (II Reg. VTI 12—16). Vgl. Osee III 5 ; Jer. XXIII 5; Ez. XXXIV 23; XXXVII 24. Naar de wijze der profeten gaat Jeremias van de tijdelijke verlossing (v. 8) onmiddellijk over tot de voltooiing der verlossing door den Messias.

XLIVE|ne navolging van Is- XLni li

10) Zie IV 27; V 18. Naar billijk-

8. En het zal zijn te dien dage, zegt de Heer der heerscharen, verbrijzelen zal Dx zijn juk van uwen hals, en zijne banden zal Ik vaneenscheuren, en niet meer zullen vreemden hem dienstbaar maken7).

9. Maar dienen zullen zij den Heer, hunnen God, en David, hunnen koning, dien Dx hun verwekken zal8), lft <3ij dan, vrees niet, mijn dienstknecht Jacob, zegt de Heer, en versaag niet, o Israël9)! Want zie

jjl iai u venossen uit net verre land en uw zaad uit het land hunner gevangenschap; en Jacob zal terugkeeren en rust genieten en overvloed hebben aan alle goed; en niemand zal er zijn, voor wien bij vreest.

11. Want Dx, Dx ben met u, zegt de Heer, om u te verlossen; want Dx zal eindverdelging brengen over alle volken, onder welke Ik u verstrooid heb; maar over u zal Dx geen eindverdelging brengen; doch Ik zal u tuchtigen naar billijkheid, opdat gij u met voor schuldeloos houdt"0).

12. Want dit zegt de Heer: Ongeneeslijk is uwe wonde, allerergst uwe plaag11).

13. Niemand is er, die uwe rechtzaak richt, om te verbinden; bij geneesmiddelen vindt gij geen baat12)

heid of naar den maatstaf des rechts; vgl. X 24. Opdat gij u niet enz., Hebr.: «en zuiverend zal Ik u niet zuiver maken»; zie Exod. XXXIV noot 6; ygl. Nah. I 3. — In de Septuagint ontbreken v. 10 en 11. — De gedachte,

in v. 11 uitgesproken, wordt v. 12 17

uitgewerkt. Het volk wordt hier toegesproken als eene vrouw, die door toegebrachte slagen jammerlijk is verwond en gekneusd, maar die door de hand welke haar geslagen heeft, genezen zal worden.

J1) Zie X 19; XV 18.

") De zin is: Niemand bekommert zich om uw droevigen toestand; wat door twee beelden, een aan het recht en een aan de heelkunde ontleend, wordt voorgesteld. De nieuweren vertalen het Hebr..- «Niemand is er, die

Sluiten