Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAPÜT XXXI. HOOFDSTUK XXXI.

Vervolg. De verlossing zoowel van Israël als van Juda (v. 1—14) Vertroosting van Rachel door het heil, dat de Messias aan hare kinderen bereidt (v. 15—26) Vemenigvuldiging van het volk Gods en volmaaktheid van het Nieuwe Verbond (v. 27—34). Onvergankelijkheid van het volk Gods, uitbreiding en heiligheid van het nieuwe Jerusalem (v. 35—40).

1. In tempore illo, dicit Dominus: Ero Deus universis cognationibus Israël, et ipsi erunt mihi in populum.

2. Haec dicit Dominus: In venit gratiam in deserto populus, qui remanserat a gladio: vadet ad requiem suam Israël.

3. Longe Dominus apparuit mihi. Et in caritate perpetua dilexi te, ideo attraxi te, miserans.

4. Rursumque aedificabo te, et aedificaberis virgo Israël: adhuc ornaberis tympanis tuis, et egredieris in choro ludentium.

5. Adhuc plantabis vineas in montibus Samariae: plantabunt plantantes, et donec tempus veniat, non vindemiabunt:

1. Te dien tijde, zegt de Heer, zal Ik aan al de geslachten van Israël ten God zijn, en zij zullen Mij ten volk zijn1).

2. Dit zegt de Heer: Het volk, dat van het zwaard was overgebleven, heeft genade gevonden in de woestijn; Israël zal opgaan naar zijne rustplaats*).

3. Van verre is de Heer mij verschenen. En met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad, daarom heb Ik u aangetrokken in ontferming»).

4. En wederom zal lk u opbouwen, en opgebouwd zult gij worden, o jonkvrouw Israël! Nog zult gij u sieren met uwe pauken en uitgaan in den rei der spelenden*).

5. Nog zult gij wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten en totdat de tijd gekomen is, geen druiven inzamelen6).

") Te dien tijde (zie XXX 246), d. i. in het tijdperk van den Messias. Aan al de geslachten, d. i. aan het geheele volk, Israël en Juda, dat wederom in één Rijk vereenigd wordt met Sion (zie v. 6) tot middelpunt. Vgl. XXX 17, 22.

') De profeet vergelijkt de wederaanneming des volks bij die hunner voorvaderen na den uittocht uit Egypte en noemt daarom de plaats der begenadiging, te weten het land der ballingschap, evenals Osee II 14, de woestijn. Het volk enz. beteekent de nog overige ballingen, zie LI 50; heeft gevonden is een profetisch verleden. Israël zal opgaan enz., naar den grondtekst wekt als het ware God zich zeiven op om Israël naar zijne rustplaats te brengen.

*) Eerst spreekt de profeet namens het volk: Van verre, d. i uit Jerusalem (zie LI 50), alwaar Jehova troont (Ps. XIII 7), vertoont zich aan zijnen

geest Gods goedgunstig gelaat. Daarop antwoordt God, dat Hij hen heeft liefgehad met eeuwige liefde, d. i. met eene liefde, die sinds onheuglijke tijden (van den uittocht uit Egypte of het verbond op Sinaï af) aanving (zie II 2) en onafgebroken Weef, want (Hebr.): «daarom het Ik voor u (mijne) goedgunstigheid voortduren». De Vulgaat legt meer den nadruk op Gods voorkomende liefde uit louter genade.

*) Ik zal u opbouwen, d. i. u doen aanwassen én u bestendige welvaart schenken. — Kleine handpauken werden door jonkvrouwen aan de vingers vastgehecht. Spelenden op allerlei speeltuig zijn bedoeld.

') De bergachtige omstreken van Samaria waren vruchtbaar aan wijnzie Is. XXVIII 1. De hoofdstad van het vroegere rijk Israël wordt vermeld om de tien stammen, aan welke eveneens verlossing beloofd wordt; zie III12.—

Sluiten