Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Quia erit dies, in qua clamabunt custodes in monte Ephraim: Surgite, et ascendamus in Sion ad Dominum Deum nostrum. Is. II3: Mich. IV 2.

7. Quia haee dicit Dominus: Exsultate in laetitia Jacob, et hinnite contra caput gentium: personate, et canite, et dicite: Salva Domine populum tuum reliquias Israël.

8. Ecce ego adducam eos de terra aquilonis, et congregabo eos ab extremis terrae: inter quos erunt caecus et claudus, praegnans et pariens simul, ccetus magnus revertentium huc.

9. In fletu venient: et in misericordia reducam eos : et adducam eos per torrentes aquarum in via recta, et non impingent in ea: quia factus sum Israëli pater, et Ephraim primogenitus meus est.

10. Audite verbum Domini gentes,

Dè Vulgaat geeft eene omschrijvende vertaling van het Hebr.: «de planters zullen planten en ontwijden». Dit laatste doelt op Lev. XIX 23—25; te weten de vruchten der drie eerste jaren werden niet ingezameld, die van het vierde jaar aan God toegewijd, die van het vijfde «ontwijd», d. i. tot gemeen gebruik bestemd; vgl. Deut. XX 6. Dit nu zullen de planters door Gods zegen beleven; zie Deut. XXVIII 30, waar het tegendeel als straf bedreigd wordt.

•) Wachters, op hooge wachtposten geplaatst, zullen de feesten. plechtig aankondigen. De uitdrukking schijnt ontleend aan de wachters te Sion, die de verschijning der nieuwe maan om de hiervan afhankelijke feesten moesten gadeslaan. Op het gebergte van.Ephraïm, want ook de bewoners van het noordelijk rijk zullen op de feestdagen ter aanbidding opgaan naar Sion, het middelpunt van het hereenigde Rijk Gods.

*) Jacob is het hoofd der volken (zie II 3) om zijne uitverkiezing (zie Deut. IV 7 volg.; XXVI 19) en om zijne bestemming; zie Is. II 3; XIV 1.

6. Want er zal een dag zijn, waarop de wachters op het gebergte van Ephraïm roepen: Maakt u op en laat ons opgaan naar Sion, tot den Heer, onzen God6).

7. Want dit zegt de Heer: Juicht in blijdschap Jacob toe en jubelt het hoofd der volken tegen, galmt het uit en zingt en zegt: Geef heil, o Heer, aan uw volk, aan de overblijfselen van Israël1)!

8. Zie, Ik, Ik zal hen, herwaarts voeren uit het land van het noorden, en Ik zal hen verzamelen van de uiteinden der aarde; en onder hen zullen blinden en kreupelen zijn, zwangeren en barenden te gader, een groote schaar van herwaarts terugkeerenden8).

9. In geween zullen zij komen, en in ontferming zal Ik hen terugvoeren; en Ik zal hen herwaarts voeren langs waterstroomen op een rechten weg, en zij zullen daarop niet struikelen; want Ik ben voor Israël een vader geworden, en Ephraïm is mijn eerstgeborene9)!

10. Hoort het woord des Heeren,

Geef heil is de Hebr. geluk- en zegenwen sch, het Hosanna van Ps. CXVII 25; Matth. XXI 9. Overblijfselen, zie IV 27; V 18.

8) Het land van het noorden is naar III 18 het land der ballingschap voor beide volken, Israël en Juda. Gods liefderijke zorg toont zich inzonderheid hierin, dat Hij ook blinden enz. niet achterlaat, maar allen in staat stelt naar het vaderland terug te keeren.

•) In geween van berouw en blijdschap; in ontferming, Hebr.: «met smeekgebeden», d. i. terwijl zij veel en vurig bidden. Langs waterstroomen, zie Is. XLIX 10. Ephraïm, het noordelijk rijk, was het meest verstooten, werd dus door de herstelling het meest begenadigd en is daarom de eerstgeborene van God genoemd, met eene zinspeling op de bevoorrechting van Ephraïm s vader, Joseph, in den zegen van Jacob; zie Gen. XLIX 22—26; vgl. I Par. V 1, 2. Zie Exod. IV 22, waar het geheele volk Gods «eerstgeboren zoon» heet.

VI

Sluiten