Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16. Haec dicit Dominus: Quiescat vox tua a ploratu, et oculi tui a lacrymis: quia est merces operi tuo, ait Dominus: et revertentur de terra inimici.

17. Et est spes novissimis tuis, ait Dominus: et revertentur filii ad terminos suos.

18. Audiens audivi Ephraim transmigrantem: Gastigasti me, et eruditus sum, quasi juvenculus indomitus: converte me, et convertar: quia tu Dominus Deus meus.

19. Postquam enim convertisti me, egi pcenitentiam: et postquam ostendisti mihi, percussi femur meum. Confusus sum, et erubui, quoniam sustinui opprobrium adolescentie mea;.

20. Si filius honorabilis mihi Ephraim, si puer delicatus: quia ex quo locutus sum de eo, adhuc recordabor ejus. Idcirco conturbata sunt viscera mea super eum: miserans miserebor ejus, ait Dominus.

16. Dit zegt de Heer: Uwe stem late af van geween en uwe oogen van tranen; want er is loon voor uwen arbeid15), zegt de Heer; en zij zullen terugkeeren uit het land des vijands!

17. En er is hoop voor uwe laatste toekomst, zegt de Heer; en terugkeeren zullen de zonen naar hun grondgebied.

18. Ik hoorde, ja, Ik hoorde Ephraïm, toen hij in ballingschap ging: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben gekastijd als een ongetemde jonge stier. Bekeer mij en ik zal mij bekeeren; want Gij zijt de Heer,

mijn God16).

19. Want nadat Gij mij bekeerdet, deed ik boetvaardigheid; en nadat Gij het mij deedt inzien, sloeg ik mij op de heup17). Ik werd beschaamd en rood van schaamte, omdat ik de schande droeg van mijne jeugd.

20. Is Ephraïm Mij een lievelingszoon of een troetelkind? Want sinds De aangaande hem gesproken heb, ben Ik hem altijd nog indachtig. Daarom werd mijn binnenste over hem ontroerd; in ontferming zal Ik Mij over hem ontfermen, zegt de Heer18).

welk Bethlehem is». Volgens anderen weent zij te Rama, omdat aldaar het eindvonnis over Juda-Benjamin, en daarmede de ondergang van geheel het volk, voltrokken werd. Want volgens XL 1 werden te Rama de ballingen ter wegzending naar Babvlon verzameld en gemonsterd. Vgl. Matth. II17,18, alwaar het weenen van Rachel over den ondergang van haar volk een profetisch beeld is van het weenen der moeders van Bethlehem over den dood harer kinderkens.

") d. i. Voor hetgeen gij, Rachel, gedaan en geleden hebt om uwe kinderen ter wereld te brengen en op te Voeden, voor uwe liefde en uw weenen om hen. Het loon is de terugkeer uit de ballingschap en de herstelling van haar volk. Zie XXIX 11 voor het volg. vers.

-li **j Hebr.: «Ik hoor, ja, ik hoor Ephraïm klagen», d. i. met een rouw¬

moedig hart zijne schuld belijden en erkennen, dat hij rechtmatig om zijne zonde getuchtigd werd. Daardoor was hij tot inkeer gekomen, gelijk een ongetemde, d. i. nog niet afgerichte, jonge stier door kastijding aan den arbeid gewend wordt; vgl. Osee X 11. Ephraim verklaart zich verder bereid tot God terug te keeren, indien Gods genade, welke hij afsmeekt (bekeer mij), hem hiertoe in staat stelt; zie IV 1.

") Hebr.: «Nadat ik mij van U had afgekeerd, had ik hierover berouw; en nadat ik (door tuchtiging) wijs was geworden», sloeg ik mij op de heup, een teeken van spijt en diepe schaamte (vgl. Ez. XXI 12). Zie verder III 24, 25; XXII 21.

") God antwoordt op die ootmoedige belijdenis met eene hartelijke betuiging zijner liefde tot Ephraïm. Hij staat als 't ware over zijne liefde verwonderd en voelt zich tot hem getrok-

Sluiten