Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

et in brachio extento, et in terrore magno.

22. Et dedisti eis terram nanc, quam jurasti patribus eorum ut dares eis terram fluentem lacte et melle.

23. Et ingressi sunt, et possederunt eam: et non obedierunt voci tuae, et in lege tua non ambulaverunt: omnia quas mandasti eis ut facerent, non fecerunt: et evenerunt eis omnia mala hasc.

24. Ecce munitiones exstructae sunt adversum civitatem ut capiatur: et urbs data est in manus Chaldasorum, qui proeliantur adversus eam a facie gladii, et famis, et pestilentiae: et quaecumque locutus es acciderunt, ut tu ipse cernis.

25. Et tu dicis mihi Domine Deus: Eme agrum argento, et adhibe testes: cum urbs data sit in manus Ghaldaeorum ?

26. Et factum est verbum Domini ad Jeremiam, dicens:

27. Ecce ego Dominus Deus universas carnis: numquid mihi dif ficile erit omne verbum?

28. Propterea hasc dicit Dominus: Ecce ego tradam civitatem istam in manus Chaldasorum, et in manus regis Babylonis, et capient eam.

29. Et venient Chaldasi prceliantes adversum urbem hanc, et succendent eam igni, et comburent eam, et domos, in quarum domatibus

") Zie Deut. XXVI 8. Met groote verschrikking, welke de omliggende volken aangreep; vgl. Deut. XI 25.

M) Vgl. XI 5.

") Te weten de inval der Chaldeën en de belegering der hoofdstad volgens v. 24. Vgl. II 7; VII 24; IX 13 e»z.

") Schansen of wallen, zie VI noot 5. De stad is gegeven, een profetisch verleden, dat weldra werkelijkheid zou zijn. De laatste woorden van het vers zijn de overgang tot v. 25.

sterke hand en met uitgestrekten arm en met groote verschrikking1');

22. en die hun dit land hebt gegeven, dat Gij hunnen vaderen gezworen hebt hun te geven, een land, dat overvloeit van melk en honig20).

23. En zij traden er binnen en namen het in bezit; en zij gehoorzaamden niet aan uwe stem en wandelden niet naar uwe wet; alles wat Gij hun geboden hebt te doen, deden zij niet; en al deze onheilen zijn hun overkomen21).

24. Zie, schansen zijn opgericht tegen de stad om haar in te nemen; en de stad is gegeven in de handen der Chaldeën, die tegen haar strijden, vanwege het zwaard en den honger en de pest; en al wat Gij gesproken hebt, is geschied, zooals Gij zelf aanschouwt22).

25. En Gij, Gij zegt tot mij, Heere God: Koop den akker voor geld en neem getuigen, terwijl de stad is gegeven in de handen der Chaldeën23) !

26. En het woord des Heeren geschiedde tot Jeremias*1), zeggende:

27. Zie, Ik, Ik ben de Heer, de God van alle vleesch*5)! Zou er eenig ding moeilijk voor Mij zijn?

28. Daarom zegt dit de Heer: Zie, Dx zal deze stad overleveren in de handen der Chaldeën en in de handen van den koning van Babyion, en zij zullen haar innemen.

29. En de Chaldeën zullen komen om tegen deze stad te strijden, en zij zullen haar in vlam zetten en haar verbranden, alsmede de huizen, op welker daken zij aan Baal

**) Immers scheen het koopen van den akker in strijd met de aankondiging, dat het met Juda weldra zou gedaan zijn. Althans om wille der omstanders vroeg de profeet eene nadere verklaring. Het antwoord op de vraag, dat reeds in v. 15 staat uitgedrukt, wordt nu in v. 26—44 uitvoeriger gegeven.

**) Septuag.: «tot mij».

**) d. ï. Der geheele menschheid. Zie verder v. 17.

Sluiten