Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Ingredere ergo tu, et lege de volumine, in quo scripsisti ex ore meo verba Domini audiente populo in domo Domini in die jejunii: insuper et audiente universo Juda, qui veniunt de civitatibus suis, leges eis:

7. Si forte cadat oratio eorum in conspectn Domini, et revertatur unusquisque a via sua pessima: quoniam magnus furor et indignatio est, quam locutus est Dominus adversus populum hunc.

8. Et fecit Baruch filius Nerias juxta omnia, quas praeceperat ei Jeremias propheta, legens ex volumine sermones Domini in domo Domini.

9. Factum est autem in anno quinto Joakim filii Josias regis Juda, in mense nono: prasdicaverunt jejunium in conspectu Domini omni populo in Jerusalem, et universas multitudirri, quas confluxerat de civitatibus Juda in Jerusalem.

nergens gezegd wordt, dat ook Joakim den profeet in hechtenis heeft genomen en daarentegen naar v. 19 de profeet zich vrij kon bewegen. Het Hebr. kan ook beteekenen «verhinderd», zoodat de profeet zich om een of andere reden niet tempelwaarts kon begeven.

e) Op den vastendag, b. v. van den grooten verzoendag, den tienden der zevende maand (Lev. XXIII 27 volg.), of op een anderen buitengewonen vastendag, zooals die in zulke bange dagen als destijds (zie op XXV 1) door de overheid werden voorgeschreven: zie v. 9 en vgl. II Par. XX 3. Op zulke boetedagen kwam het volk in grooter aantal naar den tempel, en kon om de betere stemming meer vrucht van zulk eene voorlezing verwacht worden. Volgens velen is de vastendag van v. 9 «in het vijfde jaar in de negende maand» bedoeld; doch het is niet waarschijnlijk, dat Jeremias ongeveer een jaar (zie v. 1) met de voorlezing zal

8. Ga gij derhalve derwaarts en lees van de rol, waarop gij uit mijnen mond hebt geschreven, de woorden des Heeren ten aanhooren van het volk in het huis des Heeren, op den vastendag; bovendien ook ten aanhooren van gansch Jnda zult gij aan hen, die uit hunne steden komen, voorlezen6):

7. of wellicht hun gebed voor het aangezicht des Heeren valle, en een iegelijk terugkeere van zijn allerslechtsten weg; want groot is de toorn en de verbolgenheid, die de Heer heeft gesproken tegen dit volk7).

8. En Baruch, de zoon van Nerias, deed naar alles, wat Jeremias, de profeet, hem geboden had en las van de rol de woorden des Heeren in het huis des Heeren.

9. Het geschiedde nu in het vijfde jaar van Joakim, den zoon van Josias, den koning van Juda, in de negende maand, dat men een vastendag voor het aangezicht des Heeren had uitgeroepen voor al het volk in Jerusalem en voor de geheele menigte, welke uit de steden van Juda was samengestroomd in Jerusalem8).

gewacht hebben; bovendien wordt in v. 8 het bericht omtrent het schrijven en het voorlezen der boekrol gesloten en begint in v. 9 het verhaal, dat aanleiding gaf tot het verbranden van het boek. Hier en in de volgende verzen is de Septuag. (hoofdstuk XLIII) weder beknopter.

T) Een vurig en nederig gebed valt voor den troon van God neder en vindt derhalve bij Hem ingang en verhooring. Zulk een gebed mocht men bij die voorlezing verwachten; want groot is de toorn, die zich daarbij in de aankondiging der schrikkelijkste straffen openbaarde.

8) Alstoen had Nabuchodonosor Juda reeds veroverd en Jerusalem ingenomen (zie IV Reg. XXIV 1; Dan. I 1; II Par. XXXVI 6) en was hij kort daarna om den dood zijns vaders naar Babel teruggekeerd. Het was derhalve waarschijnlijk een vastendag ter herdenking aan de geleden rampen, wel-

Sluiten