Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. Et respondit Jeremias: Falsum est, non fugio ad Chaldaeos. Et non audivit eum: sed comprehendit Jerias Jeremiam, et adduxit eum ad principes.

14. Quam ob rem irati principes contra Jeremiam, csesum eum miserunt in carcerem, qui erat in domo Jonathan scriba?: ipse enim praspositus erat super carcerem.

15. Itaque ingressus est Jeremias in domum laci et in ergastulum: et sedit ibi Jeremias diebus multis.

16. Mittens autem Sedecias rex tulit eum: et interrogavit eum in domo sua abscondite, et dixit: Putasne est sermo a Domino? Et dixit Jeremias: Est. Et ait: In manus regis Babylonis traderis.

17. Et dixit Jeremias ad regem Sedeciam: Quid peccavi tibi, et servis tuis, et populo tuo, quia misisti me in domum carceris?

18. Ubi sunt prophetas vestri, qui prophetabant vobis, et dicebant: Non veniet rex Babylonis super vos, et super terram hanc?

19. Nunc ergo audi obsecro domine mi rex: Valeat deprecatio mea in conspectu tuo: et ne me remittas in domum Jonathan scribas, ne moriar ibi.

10) De hier bedoelde vorsten waren anderen en andersgezinden dan die ten tijde van Joakim; zie XXVI16; XXXVI 19, 25. Zij sloegen hem, d. i. deden hem gerechtelijk stok- of geeselslagen geven. In het Hebr. en de Septuag. (hoofdst. XLIV) luiden de laatste woorden: «want dit (het huis van Jonathan) hadden zij ingericht tot een kerker».

") Hebr. vermoedelijk: «en in de gewelven» of kelders van genoemd huis.

12) Dit geschiedde, toen Jerusalem weder belegerd en de nood reeds hoog

13. En Jeremias antwoordde: Dat is valsch, ik vlucht niet tot de Chaldeën! En Jerias hoorde niet naar hem, maar nam Jeremias in hechtenis en bracht hem tot de vorsten.

14. Daarom ontstaken de vorsten in toorn tegen Jeremias en sloegen hem en wierpen hem in den kerker, die zich bevond in het huis van Jonathan, den schrijver; deze toch was opziener over den kerker10).

15. Aldus kwam Jeremias in den onderaardschen kerker en in het tuchthuis11); en daar zat Jeremias vele dagen.

16. Doch koning Sedecias liet hem halen; en hij ondervroeg hem te zijnen huize in het geheim en zeide: Is er ook eenig woord vanwege den Heer? En Jeremias zeide: Ja! En bij sprak: In de handen des konings van Babyion zult gij overgeleverd worden12).

17. Voorts zeide Jeremias tot koning Sedecias: Wat heb ik tegen u en uwe dienaren en uw volk misdreven, dat gij mij m het kerkerhuis hebt geworpen18)?

18. Waar zijn uwe profeten, die u profeteerden en zeiden: Geenszins zal de koning van Babyion over u en over dit land komen?

19. Nu dan, hoor, bid ik, mijn heer en koning! Moge mijn smeekgebed gelden11) voor uw aangezicht, en zend mij niet terug in het huis van Jonathan, den schrijver, opdat ik aldaar niet sterve!

I gestegen was; zie v. 20. In het geheim, uit vrees voor de aan Jeremias vijandige vorsten. Eenig woord beteekent eene of andere gunstige openbaring. Het onverschrokken antwoord luidt als in XXXII 4; XXXTV 3.

") Want dit was met toestemming of althans met medeweten van den koning geschied. Het Hebr. heeft het meervoud: «dat gijlieden», de vorsten enz.

") Hebr.: «moge (het) vallen»; zie op XXXVI 7.

Sluiten