Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bino triginta viros, et leva Jeremiam prophetam de lacu antequam moriatur.

11. Assumptis ergo Abdemelech secum vir is, ingressus est domum regis, quas erat sub cellario: et tulit inde veteres pannos et antiqua, quas computruerant, et submisit ea ad Jeremiam in lacum per funiculos.

12. Dixitque Abdemelech iEthiops ad Jeremiam: Pone veteres pannos, et hasc scissa et putrida sub cubito manuum tuarum: et super funes: fecit ergo Jeremias sic.

13. Et extraxerunt Jeremiam funibus, et eduxerunt eum de lacu: mansit autem Jeremias in vestibulo carceris.

14. Et misit rex Sedecias, et tulit ad se Jeremiam prophetam ad ostium tertium, quod erat in domo Domini: et dixit rex ad Jeremiam: Lnterrogo ego te sermonem, ne abscondas a me aliquid.

15. Dixit autem Jeremias ad Sedeciam: Si annuntiavero tibi, numquid non interficies me? et si consilium dedero tibi, non me audies.

16. Jura vit ergo rex Sedecias Jeremias elam, dicens: Vivit Dominos, qui fecit nobis animam hanc, si occidero te, et si tradidero te in manus virorum istorum, qui quasrunt animam tuam.

Neem met u dertig mannen10) van hier mede en haal Jeremias, den profeet, uit den put, eer hij sterft.

11. Abdemelech nam derhalve de mannen met zich en trad het huis des konings binnen, dat onder de voorraadkamer was11); en hij nam van daar oude lappen en vergane lompen mede en liet ze met koorden af tot Jeremias in den put.

12. En Abdemelech, de Ethiopiër, zeide tot Jeremias: Doe de oude lappen en deze vodden en lompen onder de oksels uwer armen1*) en de koorden daarover heen. En Jeremias deed alzotfc

13. En zij trokken Jeremias met de koorden op en haalden hem uit den put; en Jeremias bleef in het voorhof van den kerker18).

14. En koning Sedecias liet Jeremias, den profeet, bij zich halen aan den derden ingang, die in het huis des Heeren was; en de koning zeide tot Jeremias: Ik vraag u om een woord, verheel niets voor mij11).

15. En Jeremias zeide tot Sedecias: Zoo ik het u aankondig, zult gij mij dan niet dooden? En als ik u eenen raad geef, zult gij naar mij niet hooren15).

16. Koning Sedecias dan zwoer aan Jeremias in het geheim en zeide: Zoo waar de Heer leeft, die ons deze ziel gemaakt heeft16), ik zal u niet dooden en u niet overleveren in de handen dier mannen, die u naar het leven staan.

10) Om te verhinderen, dat vorsten of eenigen van het volk zich verzetten zónden.

") Hebr. «en hij ging naar het huis des konings in het vertrek, dat onder» enz., te weten in eene soort van bergplaats.

") Eigenlijk: onder den elleboog uwer handen. Doch de oksels der armen zijn genoegzaam zeker bedoeld.

-*}" Zie^XXVH 20.

") Wat de derde ingang beteekent, is onbekend. Een woord, eene open¬

baring, die uitkomst belooft; want de nood steeg immer hooger. De profeet weet (zie XXXII 3—5), dat de koning een antwoord volgens zijne wenschen verlangt en anders in gramschap zal ontsteken.

") De vraag heeft den zin eener bevestiging: gij zult mij gewis dooden. Eenen raad als dien van XXI 8—10.

ie) Deze ziel enz., d. i. het leven, ons geschonken heeft. Hij bezweert den levenden en levendmakenden God bij zijn eigen leven.

Sluiten