Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Et omnes uxores tuas, et filii tui educentur ad Chaldaeos: et non effugies manus eorum, sed in manu regis Babylonis capieris: et civitatem hanc oomburet igni.

24. Dixit ergo Sedecias ad Jeremiam: Nullus sciat verba base, et non morieris.

25. Si autem audierint principes quia locutus sum tecum, et venerint ad te, et dixerint tibi: Indica nobis quid locutus sis cum rege, ne celes nos, et non te interficiemus: et quid locutus est tecum rex:

26. Dices ad eos: Prostravi ego preces meas coram rege, ne me reduei juberet in domum Jonathan, et ibi morerer.

27. Venerunt ergo omnes principes ad Jeremiam, et interrogaverunt eum: et locutus est eis juxta omnia verba, quas prasceperat ei rex, et cessaverunt ab eo: nihil enim fuerat auditum.

28. Mansit vero Jeremias in vestibulo carceris usque ad diem, quo capta est Jerusalem: et factum est ut caperetur Jerusalem.

gehaald om hen voor te gaan; en nu gij in de modder wegzinkt, keeren zij u den rug toe, in plaats van u te helpen. Een spreekwoordelijk gezegde om trouwelooze vriendschap te beteekenen.

") Hebr.: «gij zult haar verbranden», d. i. daarvan de schuld zijn. Zie

xxxrv 3.

M) Sedecias schaamde zich voor zijne rijksgrooten over dit geheim onderhoud en bleef zich halsstarrig tegen God verzetten.

") Hieruit blijkt, dat de krijgsoversten den ons tand vastigen Sedecias niet vertrouwden en vreesden, dat hij, vol-

23. En al uwe vrouwen en uwe kinderen sullen weggevoerd worden naar de Chaldeën; en gij zult niet ontkomen aan hunne handen, maar door de band van den koning van Babyion zult gij gegrepen worden; en deze stad zal hij verbranden met vuur*8).

24. Toen zeide Sedecias tot Jeremias: Niemand wete van deze woorden, en gij zult niet sterven24).

25. Doch indien de vorsten hooren, dat ik met u gesproken heb, en zij bij u komen en tot u zeggen: Geef ons te kennen, wat gij gesproken hebt tot den koning — verheel het niet voor ons, en wij zullen u niet dooden — en wat de koning gesproken heeft tot u26);

26. dan zult gij tot hen zeggen: Ik heb mijne gebeden neergelegd voor den koning, opdat hij mij met zou doen terugbrengen in het huis van Jonathan, en ik daar niet sterven zou**).

27. Al de vorsten kwamen dan tot Jeremias en ondervroegen hem; en hij sprak tot hen overeenkomstig al de woorden, welke de koning hem geboden had, en zij lieten af van hem; niets toch was ruchtbaar geworden*7).

28. En Jeremias bleef in het voorhof van den kerker tot op den dag, waarop Jerusalem werd ingenomen. En het geschiedde, toen Jerusalem werd ingenomen*8).

gens den raad van den profeet, zich en de stad aan de Chaldeën zou overgeven.

**) Dit had de profeet aan den koning metterdaad gevraagd; zie XXXVII 19.

") Zij drongen niet verder aan, omdat niets van het onderhoud was ruchtbaar geworden, en zij dus niet konden bewijzen, dat de profeet niet alles mededeelde.

**) Dit behoort bij het volgende hoofdstuk. Men voegt het gewoonlijk bij v. 3, zoodat de twee eerste verzen een tusschenzin zijn.

Sluiten