Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tudinis Jerichontinas, et captum adduxerunt ad Nabuchodonosor regem Babylonis in Reblatha, quas est in terra Emath: et locutus est ad eum judicia.

6. Et occidit rex Babylonis filios Sedecias in Reblatha, in oculis ejus: et omnes nobiles Juda occidit rex Babylonis.

7. Oculos quoque Sedecias eruit: et vinxit eum eompedibus ut duceretur in Babylonem.

8. Domum quoque regis, et domum vulgi succenderunt Chaldasi igni, et murum Jerusalem subverterunt.

9. Et reliquias populi, qui remanserant in civitate, et perfugas, qui transfugerant ad eum, et superfluos vulgi, qui remanserant, transtulit Nabuzardan magister militum in Babylonem.

10. Et de plebe pauperum, qui nihil penitus habebant, dimisit Nabuzardan magister militum in terra Juda: et dedit eis vineas, et cisternas in die illa.

11. Prasceperat autem Nabuchodonosor rex Babylonis de Jeremia Nabuzardan magistro militum, dicens:

12. Tolle illum, et pone super eum oculos tuos, nihilque ei mali facias: sed, ut voluerit, sic f acias ei.

13. Misit ergo Nabuzardan princeps militias, et Nabusezban, et Rabsares, et Neregel, et Sereser, et Rebmag, et omnes optimates regis Babylonis,

*) Nabuzardan beteekent: Nebo schenke nakomelingschap. Hij was naar het Hebr.: «overste der lijfwachten».

6) De koning van Babvlon had of van de overgevluchte Judeërs of van de krijgsgevangenen vernomen, welken

woestijn van Jericho en voerden hem gevankelijk naar Nabuchodonosor, den koning van Babyion, te Reblatha in het land Emath; en hij sprak over hem het vonnis uit

6. En de koning van Babyion doodde de kinderen van Sedecias te Reblatha voor diens oogen; en al de edelen van Juda doodde de koning van Babyion.

7. Ook stak hij Sedecias de oogen uit; en hij kluisterde hem in voetboeien om hem naar Babyion te doen voeren.

8. En het huis des konings en het huis des volks verbrandden de Chaldeën met vuur, en den muur van Jerusalem slechtten zij.

9. En de overblijfselen des volks, die in de stad waren overgebleven, en de vluchtelingen, die tot hem waren overgevlucht, en de overigen van de lage volksklasse, die waren overgebleven, voerde Nabuzardan, de overste der krijgsknechten5), naar Babyion.

10. En van het geringe volk, die volstrekt niets bezaten, liet Nabuzardan, de overste der krijgsknechten, er in het land Juda achter; en bij gaf hun wijngaarden en regenputten te dien dage.

11. Doch aangaande Jeremias had Nabuchodonosor, de koning van Babyion, bevolen6) aan Nabuzardan, den overste der krijgsknechten, zeggende:

12. Neem hem en richt op hem uwe oogen, en doe hem hoegenaamd geen leed; maar gelijk hij wil, zoo moet gij met hem handelen7).

13. Bijgevolg zond Nabuzardan, de overste der krijgsmacht, alsmede Nabusezban en Rabsares en Neregel en Sereser en Rebmag8) en alle grooten van den koning van Babyion,

raad Jeremias vóór en tijdens het beleg had gegeven. Daarom was hij voor den profeet zoo gunstig gestemd.

') M. a. w. draag zorg voor hem, dat hem geen leed geschiede, en laat hem vrij. Zie XL 4.

*) Ook Nabusezban (d. i. Nebo redt

Sluiten