Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Miserunt, et tulerunt Jeremiam de vestibulo carceris, et tradiderunt eum Godoliae filio Ahicam filii Saphan ut intraret in domum, et habitaret in populo.

15. Ad Jeremiam autem factus fuerat sermo Domini cum clausus esset in vestibulo carceris, dicens:

16. Yade, et die Abdemelech JEthiopi, dicens: Haec dicit Dominus exercituum Deus Israël: Ecce ego induflam sermones meos super civitatem hanc in malum, et non in bonum: et erunt in conspectu tuo in die illa.

17. Et liberabo te in die illa, ait Dominus: et non trader is in manus virorum, quos tu formidas:

18. Sed eruens liberabo te, et gladio non cades: sed erit tibi anima tua in salutem, quia in me habuisti fiduciam, ait Dominus.

14. en zij lieten Jeremias uit het voorhof van den kerker halen en gaven hem over aan Godolias, den zoon van Ahicam, den zoon van Saphan, opdat hij het huis zou binnengaan en onder het volk zon wonen').

15. Tot Jeremias nu was het woord des Heeren geschied, toen hij in hechtenis was in het voorhof van den kerker, zeggende10).

16. Ga en zeg aan Abdemelech, den Ethiopiër, zeggende: Dit zegt de Heer der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal mijne woorden over deze stad brengen ten kwade, en niet ten goede; en zij zullen voor uw aangezicht geschieden te dien dage11).

17. En Ik zal u bevrijden te dien dage, zegt de Heer; en gij zult niet worden overgeleverd in de handen der mannen12), voor wie gij vreest.

18. Maar redden en bevrijden zal Ik u, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar uwe ziel zal u in behoudenis13) zijn, omdat gij in Mij vertrouwen gestéld hebt, zegt do Heer11).

CAPÜT XL.

HOOFDSTUK XL.

Vrijlating van den profeet (v. 1—6). Godolias stadhouder (v. 7—12); aanslag op eijn leven (o. 13—16).

1. Sermo, qui factus est ad Jeremiam a Domino, postquam dimissus est a Nabuzardan magistro militiae de Rama, quando tulit eum vinctum

1. Het woord, dat van den Heer geschiedde tot Jeremias, nadat hij door Nabuzardan, den overste der krijgsmacht, uit Rama was vrij-

mij) had het ambt van rabsares en Neregel Sereser dat van rebmag; zie verder noot 8.

*) Zie voor Godolias XL 5, voor zijnen vader Ahicam XXVI 24. Daar Nabuzardan ruim eene maand na de verovering van Jerusalem aankwam (vgl. XXXIX 2 met IJl 12), bleef derhalve de profeet al dien tijd in den kerker. In XXXVIII 28 wordt alléén gezegd, dat hij voor de inneming der stad niet

verlost werd. Het huis, misschien dat van Godolias of welke andere woning ook, staat in tegenstelling met den kerker. Zie verder XL noot 1.

,0) De verzen 15—18 moesten naar de tijdsorde achter XXXVIII 13 staan.

") Zie XIX 15; XXI 10.

") Der Chaldeën.

u) Hebr.: «als een buit*; zie XXI 9. ") De Ethiopiër geloofde derhalve in den waren God.

Sluiten