Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

filium Ahicam filii Saphan gladio, et interfecerunt eum, quem prasfecerat rex Babylonis terras.

3. Omnes quoque Judasos, qui erant cum Godolia in Masphath, et Chaldaeos, qui reperti sunt ibi, et viros bellatores percussit Ismahel.

4. Secundo autem die postquam occiderat Godoliam, nullo adhuc sciente,

5. Venerunt viri de Sichem, et de Silo, et de Samaria octoginta viri: rasi barba, et scissis vestibus, et squallentes: et munera, et thus habebant in manu, ut offerrent in domo Domini.

6. Egressus ergo Ismahel filius Nathanias in occursum eorum de Masphath, incedens et plorans ibat: cum autem occurrisset eis, dixit ad eos: Venite ad Godoliam filium Ahicam.

7. Qui cum venissent ad medium civitatis, interfecit eos Ismahel filius Nathanias circa medium laci,

zij sloegen Godolias, den-: zoon van Ahicam, den zoon van Saphan, met het zwaard, en zij doodden dengene, dien de koning van Babyion over het land had aangesteld2).

3. Ook al de Judeërs, die bij Godolias te Masphath waren, en de Chaldeën, die zich daar bevonden, en de krijgslieden3) versloeg Ismahel.

4. En den tweeden dag, nadat hij Godolias gedood had, terwijl niemand nog daarvan wist4),

5. kwamen er mannen van Sichem en van Silo en van Samaria, tachtig mannen, met geschoren baard en gescheurde kleederen en in treurgewaad; en zij droegen offergaven en wierook in hunne hand om in het huis des Heeren op te dragen5).

6. Ismahel dan, de zoon van Nathanias, ging uit van Masphath, hun te gemoet, en al weenende ging bij voort6); en toen hij ben ontmoette, zeide hij tot hen: Komt tot Godolias, den zoon van Ahicam7)!

7. En toen zij tot in het midden der stad waren gekomen, doodde hen Ismahel, de zoon van Natha-

') En daarom was de wraak van den koning van Babyion te wachten; zie v. 18. — Gedurende en nog na de ballingschap werd de moord op Godolias door een jaarlijkschen vastendag herdacht; zie op Zach. VII 5.

8) Hebr. zonder en: «de krijgslieden», eene bijstelling tot de Judeërs en de Chaldeën; zij, de lijfwacht van Godolias, niet echter het weerlooze volk (zie v. 10), werden mede vermoord. — Deze laatste zinsnede staat niet in de Septuag., welke in dit hoofdstuk weder veel beknopter is.

*) Niemand buiten de stad; hiervoor had Ismahel gezorgd uit vrees voor de met Godolias bevriende legerhoofden, v. 11.

°) Sichem, Silo (Septuag. Salem) en Samaria zijn steden van het vroegere Tienstammenrijk. Zij kwamen evenals ten tijde van Ezechias- en Josias (zie II Par. XXX 11; XXXIV 9; XXXV 1

VI

18), wellicht naar aanleiding van het in de zevende maand (zie v. 1) vallende Loofhuttenfeest, ter heilige stede; nu echter, daar stad en tempel verwoest waren, niet met vroolijk fluitspel (gelijk Is. XXX 29), doch met gescheurde kleederen (zie XXXVI 24), met geschoren baard en in treurgewaad, Hebr. «met insnijdingen» (in de huid); zie XVI noot 5. Zij droegen met zich offergaven of spijsoffers en wierook (zie XVII noot 22) om ter plaatse van den tempel te verbranden, want van bloedige offers kon toen geen sprake zijn. Vgl. Bar. I 10, 14.

6) Veinzend hunne gevoelens te deelen om op die wijze hun vertrouwen te winnen. In de Septuag. wordt dit van die mannen gezegd: «zij gingen en weenden».

7) Om hem als landvoogd te huldigen.

29

Sluiten